Tussen baksteen en verlangen: Mijn Leven Tussen Twee Vuren

“Hoeveel keer ga je me dat nog verwijten, mama?” Mijn stem beweegt bibberend door de keuken, gevuld met de geur van oud koffiegruis en verschaalde hoop. Mijn moeder kijkt me aan met die kille, Vlaamse blik die ze zich sinds papa’s val eigen maakte. “Ik verwijt het niet, Thomas. Maar je moet begrijpen dat dromen niet genoeg zijn als de koelkast leeg blijft. Waar denk je dat je bent? In zo’n roman?”

Sinds vader vorig jaar door een ongelukkig bouwongeval zijn werk verloor, leeft ons gezin op gespannen voet met alles wat tastbaar is. Bakstenen, geld, zekerheden – alles wat eens stevig aanvoelde, werd plots vloeibaar. Ik was altijd haar dromerige zoon, de enige op de familiefeesten die zich kon verliezen in een vergeeld boek terwijl de rest het had over interestvoeten en de nieuwste promoties bij Colruyt.

Mijn broer, Steven, stond altijd aan haar kant. “Realistisch zijn, Tom. Je hebt toch geschiedenis gestudeerd, geen economie? Zoek een deftige job. Iedereen moet offers brengen nu.” Zijn stem snijdt, oud zeer mengt zich met vers slachtofferschap. Zelf werkt hij sinds kort bij een vastgoedmakelaar in Merelbeke, glanzende velgen onder zijn leaseauto en het zelfvertrouwen van iemand die nooit moet twijfelen.

Mijn vriendin, Lien, is intussen ook veranderd. Onze gesprekken klinken vaker als begrotingsvergaderingen. Ze draait met haar haar wanneer ze zegt: “Je ouders hebben wel een punt. Het leven wordt duurder, Tom. Misschien moet je je verwachtingen een beetje bijstellen? Liefde alleen vult geen borden, hè.” Haar zachte handen lonken minder vaak naar mij – de aanraking van vroeger lijkt weg te deemsteren tussen facturen en het onverklaarbare verlangen naar rust die ik haar niet kan bieden.

De avonden duren langer sinds vader moest leren met een stok lopen. De beschermende muur die hij ooit was, brokkelt af. Hij staart vaker naar de tv, zijn handen gespreid op zijn dunner wordende dijen, het gezicht schaduwachtig verlicht door Vlaamse krimi’s. We praten weinig. Ik voel zijn schaamte als een koude tocht tussen ons in.

Toen het eerste deurwaardersbriefje kwam, brak het gekletter van porselein door het huis. Moeder gooide een kopje kapot tegen de vloer. “Zo zijn we niet, Tom! Dit is geen familie van losers! We komen uit een rij van harde werkers. Wat doe jíj eraan?”

Ik ging werken in een boekenwinkel in het centrum, onder de kathedraal, voor minimumloon. Voor even viel alles stil tussen ons – de spanningen, het defaitisme. Ik bracht oude vrouwen Tolstoj en jonge mannen de nieuwste thrillers. In de rust tussen de rekken voelde ik mijn hart terugkloppen. Maar ’s avonds zat ik aan tafel, moeder aan het overrekenen hoeveel ik deze maand kon bijleggen. “Het is het begin, Tom,” knikte ze, “maar wees niet blij te vroeg. Je bent beter dan dat. Je kan meer.”

Op een zaterdagnacht kwam Steven zwaar dronken thuis. “Sukkelaar! Altijd maar in je eigen wereld, nooit iets tastbaars bereiken,” slingerde hij naar me. Ik stond in de deuropening van mijn kamer, had net Gembloux van Pierre Mertens uit. “En jij? Denk je dat je boven ons staat?”

Zijn woede vulde het huis zoals de wind de Leie vult na vier dagen regen – onverbiddelijk, ongezouten. Moeder probeerde te bemiddelen, maar voor het eerst in mijn leven gilde ik terug. “Misschien draait niet álles om bakstenen, Steven! Misschien hef jij jezelf een trap hoger op papier, maar dat muurje in jou stort binnenkort ook wel in.”

Lien hoorde ik later wegglippen, haar jas dichtgetrokken tot onder haar kin, onvindbaar tussen de trams en lichtmasten van Gent. Twee dagen liet ze niets van zich horen. Toen ik haar opzocht in haar studentenkamer onder het geparfumeerde licht van haar nachtlamp, zei ze eindelijk: “Ik wil me veilig voelen, Tom. Dat heb ik nodig. Jij lijkt dat niet te begrijpen. Misschien ben jij niet de man die me dat kan geven.”

Die nacht stap ik de stad door, langs het Gravensteen, tussen de echo’s van het festivalseizoen en de achtergelaten pinten. Ik vind geen vrede in stenen of woorden. Een zwerversvrouw naast de kiosk bij Sint-Jacobs spreekt me aan: “Geld is een illusie, jongen, maar zonder die illusie slaap je buiten.”

Mijn vriendin vertrekt enkele weken later. Ik verlies mezelf in overuren. Het spaargeld dat ik opzij had gezet voor een reis naar Italië – altijd uitgesteld, “voor later” bewaard – wordt gebruikt om de openstaande mazoutfactuur te betalen. Mijn moeder slaakt een zucht die tegelijk dank en teleurstelling is: “Zo zie je maar. Elk offer telt.”

Vader blijft zwijgen. Soms vang ik een glimlach op wanneer ik hem uit een boek voorlees, zijn handen licht trillend wanneer hij voorzichtig een bladzijde omslaat. Ik ken zijn heimwee, zijn verlangen naar alles wat nooit werd gezegd – over dromen, over verliezen, over stiekem gelukkig zijn met weinig.

Op Kerstavond komt Lien toch even langs, gebracht door haar nieuwe vriend, een IT’er uit Wondelgem. Ze overhandigt me een boek: “Je verdient jouw eigen verhaal, Tom.” Haar blik is zacht, maar haar hand schudt ik niet meer.

Wat heb ik verloren? Veiligheid, misschien. Ja – de illusie van een stevige ondergrond. Mijn angst is nu naakt – de angst om te falen, om niet te voldoen, om als enige geen plek te vinden in het Vlaamse herfstlandschap dat huis heet.

Materialisme en hartstocht dansen als rivalen door ons gezin. Broer pronkt met zijn nieuwste gadgets, moeder vraagt wie iets extra’s gegeten heeft want “we moeten sparen”. Ik kijk naar de mist boven de Schelde en vraag me af waar stabiliteit echt woont. Is ze te vinden in een huis met dubbele beglazing of tussen mensen die je zonder masker aankijken?

Steeds vaker merk ik bij mezelf de verleiding om me te bewijzen naar buiten toe – om het lege ruim van mijn handtas op te vullen met merkschoenen, het gewicht van mijn onzekerheid te verbergen onder carrièrestappen die niet de mijne zijn. Toch voel ik elke keer dat ik voorlees aan vader, of wanneer ik een klant help aan dé juiste roman, dat er een rust is die niet te meten valt in euro’s.

De conflicten blijven – soms uitgesproken, soms slechts voelbaar als een gespannen snaar tussen mij en de rest. Maar ergens weet ik dat vechten niet altijd luid moet zijn. Soms ontstaat weerbaarheid in stilte. In de keuze om een ander soort rijkdom te zoeken dan die op de facturen.

Kan liefde genoeg zijn? Kan tevredenheid groeien in vruchtbare armoede? Moet ik leren loslaten wat men als succes ziet, om vrede te sluiten met wie ik echt ben?

Soms, wanneer de wind door Gent waait en de stad me omarmt als een koude moeder, vraag ik me af: Wat is thuis waard als je je eigen plek niet vindt? Zijn we niet allemaal op zoek naar een soort zekerheid – materieel of emotioneel – die altijd lijkt te verschuiven als ochtendnevel onder de Vlaamse zon?

Ik hoor graag van jullie: Moet ik mijn dromen blijven volgen, zelfs als dat betekent dat ik nooit die zekere Vlaamse baksteen bezit? Of zit ware rijkdom juist in het leren loslaten van wat men je altijd als ‘zekerheid’ verkocht heeft?