“Ge gaat dat kind toch niet afpakken van zijn vader?” zei mijn zus, terwijl ik met mijn hand nog op de deurklink van de kinderkamer stond
“Ge kunt nu niet weer vertrekken, Jens. Niet terwijl Noor boven ligt te slapen.”
Lotte stond in de keuken in haar trainingsbroek, met die rode ogen van iemand die al te lang niet goed geslapen heeft. Ik had mijn autosleutels al vast. Mijn jas half aan. En eerlijk, ik schaam mij nog altijd voor wat ik toen zei.
“Misschien is het net beter als ik ga. Voor jullie allebei.”
Ze lachte niet eens. “Ge klinkt precies alsof ge een held zijt terwijl ge gewoon wegloopt.”
Dat kwam binnen. Omdat dat ook was wat iedereen later gezegd heeft. Mijn zus Ellen. Mijn vader. Zelfs mijn collega in de Colruyt in Halle, die normaal nergens zijn mening over geeft, zei op een middag in de refter: “Ja maat, een kind heeft zijn vader nodig. Punt.”
Maar zo simpel voelde het bij mij al lang niet meer.
Ik ben 34, van Beersel, en tot een paar maanden geleden woonde ik met Lotte en onze dochter Noor in een rijhuis dat we met veel moeite gekocht hadden net voor de rente helemaal zot begon te doen. Lotte werkt halftijds in een apotheek in Sint-Pieters-Leeuw. Ik deed vroege en late shiften in het distributiecentrum. Gewoon een normaal leven eigenlijk. Niet chique, niet speciaal. Maar vanaf dat Noor geboren was, ging er precies iets mis in mijn kop.
Iedereen vroeg altijd hoe het met Lotte was. Logisch ook, zij was bevallen, zij had die hormonen, die vermoeidheid. Maar met mij… ik werd stil. Dan prikkelbaar. Dan weer compleet leeg. Als Noor begon te huilen, verstijfde ik soms gewoon. Echt letterlijk. Alsof mijn lijf blokkeerde.
“Pak haar eens,” zei Lotte dan.
“Ik kan niet.”
“Ge kunt of ge wilt niet?”
En dat verschil kon ik zelf ook niet meer uitleggen.
Eén keer heb ik Noor in haar park gezet omdat ik voelde dat ik kwaad werd van dat gehuil. Niet gewoon lastig. Echt kwaad. Ik ben dan buiten gaan staan in de regen, achter ons huis, met mijn handen op mijn oren. Nog geen minuut waarschijnlijk. Maar toen ik terug binnenkwam, stond Lotte mij aan te kijken alsof ze mij niet meer kende.
“Dat was niet normaal, Jens.”
Nee. Dat wás ook niet normaal.
Ik heb daarna mijn huisarts gebeld in Lot. Die zei dat vaders ook mentale klappen kunnen krijgen na een geboorte, dat daar veel te weinig over gepraat wordt. Ik ben dan zelfs bij een psycholoog in Leuven geweest via doorverwijzing. Maar ik voelde mij daar precies een fraudeur. Want ik was niet degene die het kind gedragen had. Ik had geen excuus, vond ik. Alleen zwakte.
Ondertussen werd het thuis erger. Niet met roepen of slaan of zo. Eerder dat ik minder en minder durfde. Ik durfde Noor niet alleen in bad doen. Ik durfde niet met haar in de auto rijden. Ik checkte tien keer of ze nog ademde. En tegelijk dacht ik soms: misschien zou het beter zijn als ik hier niet ben.
Niet dat ik mezelf iets ging aandoen. Maar wel: weg uit dat huis. Weg uit hun leven. Zodat ik niets kapot kon maken.
Toen ik dat op een avond tegen Lotte zei, antwoordde ze heel stil: “Ge beseft toch dat ge het dán ook kapotmaakt?”
Dat is het vreselijke. Ze had gelijk. En ik ook, op mijn manier.
De ruzie waar het echt gekanteld is, was na een factuur van het UZ Brussel. Noor had kine nodig gehad voor haar nekje, niks dramatisch, maar er kwam weer zo’n rekening binnen op een moment dat onze zichtrekening al in het rood stond. We hadden discussie over geld, over opvang, over wie wat deed. Gewoon de klassieke miserie, zeker? Maar dan zei Lotte ineens:
“Ik kan niet én voor haar zorgen én voor u ook nog eens.”
Ik antwoordde: “Dan moet ge dat ook niet doen.”
“Wat bedoelt ge daarmee?”
En toen heb ik gezegd dat ik misschien tijdelijk naar mijn broer in Aalst zou gaan. Dat het rustiger zou zijn. Dat Noor dan tenminste een stabiele ouder had.
Lotte begon te wenen van pure kwaadheid. “Ge wilt dat ik tegen iedereen zeg dat de vader van mijn kind vertrokken is omdat het te zwaar was?”
Ik zei: “Zeg wat ge wilt. Zeg dat ik een klootzak ben.”
En dat heeft ze eigenlijk niet eens gedaan. Dat is het erge. Zij heeft mij niet zwartgemaakt. De rest deed dat vanzelf.
Mijn moeder zei: “In onze tijd bleef ge gewoon. Ook al waart ge moe.” Mijn zus noemde mij egoïst. Mijn schoonmoeder vroeg of ik soms een ander had. Alsof er een properdere uitleg moest zijn dan de echte.
Ik ben toch vertrokken. Met een valies, wat kleren, en mijn boormachine nog in de koffer van de auto omdat ik die vergeten was uit te laden. Zo triest was het.
De eerste weken zag ik Noor wel nog. Kort. In het park van Huizingen, eens bij mijn ouders, eens bij Lotte thuis als haar zus erbij was. Ik snapte dat eigenlijk. Ik vertrouwde mezelf ook niet volledig. En dat is misschien nog het moeilijkste om toe te geven als vader.
Maar dan kwam er iets boven waar ik totaal niet op gerekend had.
Lotte belde mij op een dinsdagavond. Niet boos. Eerder kapot.
“Ik moet u iets zeggen, en ge gaat denken dat ik gelogen heb.”
Ik reed direct naar haar. Zij zat aan tafel met een map van de mutualiteit en papieren van de bank.
“Ik heb u niet alles verteld over het geld,” zei ze.
Blijkbaar had zij maanden voordien al een paar minicredieten gepakt. Niet voor luxe of zo. Voor de crèche, de elektriciteit, de voorschotfactuur van de tandarts, gewoon gaten dichten. Ze had dat voor mij verborgen omdat ze zag hoe slecht ik draaide en omdat ze schrik had dat ik helemaal zou blokkeren. Er stonden aanmaningen open waar ik niks van wist.
Ik was eerst razend. “Dus ik ben weg gegaan met het idee dat ík het grootste probleem was, en heel ons huis stond financieel ook in brand?”
“Ja,” zei ze, “maar ik heb dat niet gedaan om u te pakken. Ik dacht echt dat ge het niet aankon.”
En daar viel alles zo raar in elkaar dat ik er misselijk van werd. Wij waren allebei aan het verzwijgen hoe slecht het ging, zogezegd om de andere te sparen. En intussen zonk alles dieper.
Toen kwam nog iets. Ze keek naar haar handen en zei: “Die avond dat ge Noor in haar park had gezet en buiten waart gegaan… ik heb toen de volgende dag de Kind en Gezin-lijn gebeld. Niet om u aan te geven. Gewoon om te vragen wat ik moest doen.”
Ik kreeg het warm en koud tegelijk.
“Waarom hebt ge mij dat nooit gezegd?”
“Omdat ik u niet nog kleiner wilde maken dan ge u al voelde.”
Dat deed pijn, ja. Maar ik begreep het ook. Ze had schrik. Niet van een monster. Wel van een mens die aan het wegzakken was en die misschien iets fout kon doen in één slecht moment. En eerlijk? Die schrik had ik zelf ook.
Sindsdien is het nog altijd niet proper opgelost. Ik woon voorlopig nog apart. Ik ga nu wekelijks naar therapie, en via de huisarts zit ik ook in begeleiding rond ouderschap. We hebben met een bemiddelaar van het CAW gepraat over co-ouderschap opbouwen zonder te forceren. Heel onromantisch allemaal, met agenda’s en afspraken en wie wanneer wat betaalt. Maar misschien is dat net beter dan doen alsof liefde alleen genoeg is.
Lotte zegt soms nog: “Ik wou dat ge gebleven waart en gevochten had.” En ik zeg dan: “Ik bén vertrokken omdat ik bang was voor wat er zou gebeuren als ik bleef doen alsof ik het kon.”
Allebei waar. Dat is het lastigste eraan.
Ik mis Noor elke dag dat ik haar niet zie. En ja, ik voel mij schuldig. Misschien altijd wel een beetje. Maar voor het eerst voel ik mij niet alleen laf. Eerder… iemand die te laat heeft toegegeven dat hij hulp nodig had.
Dus nu vraag ik mij echt af: wat zoudt gij gedaan hebben? Blijven en proberen volhouden voor uw gezin, of juist afstand nemen als ge voelt dat ge misschien schade gaat aanrichten?