Te laat beseft: Het verhaal van Barbara De Smet
— Barbara De Smet! — De stem van de verpleegster sneed door het geroezemoes in de wachtzaal van het AZ Sint-Lucas in Gent. Mijn hart bonsde in mijn keel terwijl ik opstond. Mijn handpalm was nat van het zweet dat zich verzameld had rond de enveloppe met mijn bloedresultaten. Ik voelde de blikken van de andere vrouwen op mij rusten, hun gezichten gespannen, elk met hun eigen zorgen.
Ik liep naar de deur van het kabinet. Mijn benen voelden zwaar, alsof ik door stroop stapte. De dokter, een forse vrouw met wallen onder haar ogen en een zachte West-Vlaamse tongval, keek nauwelijks op toen ik binnenkwam. Ze nam de enveloppe uit mijn trillende hand, scheurde hem open en bladerde door de papieren.
— Gaat u zitten, mevrouw De Smet, — zei ze zonder op te kijken.
Ik ging zitten. Mijn blik dwaalde over haar bureau: een foto van een lachend jongetje, een half opgegeten boterham met kaas, een stapel dossiers. Ik probeerde haar gezicht te lezen terwijl ze de resultaten bekeek, maar haar uitdrukking bleef ondoorgrondelijk.
— U bent hier voor de resultaten van uw bloedonderzoek, klopt dat? — vroeg ze uiteindelijk.
— Ja, dokter. — Mijn stem klonk schor.
Ze zuchtte diep en keek me eindelijk aan. — Mevrouw De Smet, uw waarden zijn niet goed. Uw leverwaarden zijn veel te hoog en… — Ze aarzelde even. — Er zijn ook afwijkingen gevonden bij uw tumormarkers.
Het leek alsof de grond onder mijn voeten wegzakte. Tumormarkers? Mijn gedachten tolden. Ik dacht aan mijn moeder, die aan kanker gestorven was toen ik twaalf was. Aan mijn dochtertje Lotte, die thuis op mij wachtte met haar knuffelkonijn. Aan mijn man Tom, die altijd zei dat ik me niet zo druk moest maken om kleine pijntjes.
— Wat betekent dat? — fluisterde ik.
— We moeten verder onderzoek doen. Een echo, misschien een biopsie. Ik wil u zo snel mogelijk terugzien.
Ik knikte, maar hoorde haar woorden nauwelijks nog. Alles werd wazig. Ik stond op automatische piloot op, bedankte haar en liep de gang op. Buiten voelde ik de koude lentelucht op mijn gezicht slaan. Ik wilde huilen, schreeuwen, maar er kwam niets.
Thuis zat Tom aan de keukentafel met zijn laptop open en een half glas Leffe naast zich. Lotte zat op de grond te tekenen met haar stiften.
— En? — vroeg Tom zonder op te kijken.
— Ze willen verder onderzoek doen, — zei ik zacht.
Hij keek eindelijk op, fronste zijn wenkbrauwen. — Maar wat zeggen ze dan? Is het ernstig?
— Ze denken dat het misschien kanker is.
Het bleef even stil. Lotte keek op van haar tekening en zei: — Mama, kijk! Een regenboog!
Ik glimlachte flauwtjes naar haar, maar Tom stond bruusk op en begon door de keuken te ijsberen.
— Dat kan toch niet! Je bent nog geen veertig! — riep hij uit.
— Tom… — begon ik, maar hij kapte me af.
— Je moet gewoon wat rustiger aan doen. Je werkt te veel in die winkel van je vader. Altijd maar stressen om niks!
Zijn woorden staken meer dan ik wilde toegeven. Natuurlijk werkte ik hard in de bakkerij van papa in Sint-Amandsberg. Maar wie anders zou het doen? Papa was sinds mama gestorven was nooit meer dezelfde geweest. Hij stond elke ochtend om vier uur op om brood te bakken, maar zijn handen trilden steeds vaker en hij vergat steeds meer.
Ik dacht aan onze ruzies van de afgelopen maanden. Hoe hij me beschuldigde dat ik hem wou laten vallen, dat ik alleen aan mezelf dacht omdat ik soms een dag vrij nam om met Lotte naar de speeltuin te gaan.
Die avond lag ik wakker naast Tom, die zachtjes snurkte. Ik voelde me alleen in het donker, gevangen tussen schuldgevoel en angst. Had ik beter voor mezelf moeten zorgen? Had ik signalen genegeerd?
De volgende dagen verliepen in een waas van ziekenhuisbezoeken en onderzoeken. Echo’s, bloedafnames, gesprekken met artsen die hun best deden om hoopvol te klinken maar wiens ogen iets anders verrieden.
Op een avond zat ik bij papa aan de keukentafel in zijn kleine rijhuisje achter het station. Hij schonk koffie in en keek me aan met diezelfde droeve blik als altijd.
— Ze zeggen dat het misschien kanker is, papa, — zei ik zacht.
Hij knikte langzaam. — Uw moeder had dat ook… Weet ge nog? Ze was zo moedig tot het einde toe.
Ik voelde tranen prikken achter mijn ogen. — Ik ben bang dat ik Lotte ga achterlaten zoals mama mij heeft achtergelaten.
Papa legde zijn hand op de mijne. Zijn huid was ruw van het deeg en het werk in de bakkerij.
— Ge zijt sterker dan ge denkt, Barbara. Maar ge moet niet alles alleen willen doen.
Die nacht droomde ik van mama. Ze stond in onze oude tuin in Wetteren en lachte naar mij terwijl ze bloemen plukte voor op tafel. Toen ik wakker werd, voelde ik een vreemd soort rust over me heen komen.
De weken gingen voorbij. De diagnose kwam: leverkanker, al ver gevorderd. De dokters spraken over chemotherapie en mogelijke operaties, maar hun stemmen klonken hol in mijn oren.
Tom werd stiller met de dag. Hij werkte langer op kantoor bij de verzekeringen in Brussel en kwam pas laat thuis. Soms hoorde ik hem bellen met zijn moeder in Aalst; dan fluisterde hij over mij alsof ik er niet was.
Op een avond barstte de bom tijdens het avondeten.
— Hoe lang ga je dit nog volhouden? — vroeg Tom plotseling terwijl hij zijn vork neerlegde.
— Wat bedoel je? — vroeg ik verbaasd.
— Dit… alles! Je bent altijd moe, je bent niet meer jezelf! Lotte merkt het ook! Misschien moet je eens nadenken over wat er echt belangrijk is!
Zijn woorden sneden diep. Ik voelde woede opborrelen.
— Denk je dat ik dit wil? Denk je dat ik niet elke dag wakker word met angst? Dat ik niet alles zou geven om gewoon weer gezond te zijn?
Lotte begon te huilen en rende naar haar kamer. Tom sloeg zijn ogen neer.
Die nacht sliep hij op de zetel.
De dagen werden zwaarder. Chemotherapie sloopte mijn lichaam; mijn haren vielen uit in plukken onder de douche. Papa probeerde te helpen in huis en met Lotte, maar hij was zelf zo moe dat hij soms vergat waarom hij gekomen was.
Op een dag stond mijn zus Katrien plots aan de deur. We hadden elkaar al maanden niet gesproken na een ruzie over papa’s erfenisregeling.
— Barbara… — zei ze zacht toen ik open deed.
Ik kon niets zeggen; tranen stroomden over mijn wangen terwijl zij me stevig vastpakte.
We praatten urenlang in de keuken over vroeger: over mama’s dood, over hoe we allebei voelden dat we tekortschoten voor papa en elkaar. Over hoe we elkaar kwijtgeraakt waren in ons eigen verdriet en onze eigen levens.
Katrien bleef vaker langskomen; ze nam Lotte mee naar de speeltuin of hielp met boodschappen doen als Tom weer eens laat was of papa niet kon komen.
Langzaam groeide er iets nieuws tussen ons: begrip en vergeving voor oude fouten.
De zomer kwam en ging; mijn lichaam werd zwakker maar mijn geest helderder dan ooit tevoren. Ik zag hoe Lotte lachte met Katrien in het park; hoe papa eindelijk weer eens glimlachte toen hij samen met haar koekjes bakte; hoe Tom worstelde met zijn eigen angsten maar toch probeerde er voor ons te zijn op zijn manier.
Op een avond zat ik alleen op het terras achter ons huisje in Sint-Amandsberg en keek naar de ondergaande zon boven de daken van Gent. Ik dacht aan alles wat gebeurd was: aan fouten die ik gemaakt had uit liefde of koppigheid; aan woorden die te laat kwamen; aan momenten die nooit meer terugkwamen.
Had ik dingen anders kunnen doen? Had ik vroeger moeten luisteren naar mijn lichaam? Had ik meer moeten praten met Tom of Katrien voordat alles escaleerde?
Misschien wel… Maar misschien is het leven gewoon wat het is: een aaneenschakeling van keuzes waarvan je pas later beseft wat ze echt betekenen.
En nu vraag ik me af: wat zouden jullie doen als je beseft dat je tijd beperkt is? Wie zou je bellen? Wat zou je zeggen? Misschien is het nooit te laat om fouten recht te zetten…