‘Gij overdrijft altijd’: toen mijn man opnieuw voor zijn moeder koos, ben ik met onze zoon naar mijn zus vertrokken
‘Ge gaat nu toch niet wéér daar naartoe?’ heb ik gevraagd, gewoon in de gang, half fluisterend omdat onze zoon Tibo boven lag te slapen.
Wout zuchtte al voor ik uitgesproken was. ‘Mijn moeder heeft gebeld. De thuisverpleging is niet gekomen. Wat moet ik doen, Lien? Haar laten zitten?’
‘En ik dan?’ flapte ik eruit. ‘Ik heb morgen die afspraak in het UZ Leuven voor Tibo, ik heb u dat drie keer gezegd. Drie keer.’
Hij keek mij aan alsof ik lastig deed om niks. ‘Dat is pas om halfelf. Ik ben tegen dan wel terug.’
‘Gelijk vorige keer? En die keer daarvoor?’
Daar is het gekanteld. Hij pakte zijn autosleutels van het kastje en zei: ‘Alles draait precies altijd rond u.’
Ik weet nog dat ik precies verstijfde. Niet eens door kwaadheid direct, meer… zo dat gevoel dat ge precies doorzichtig zijt. Dat ge daar staat, ge doet uw best, ge trekt heel dat huishouden, ge plant alles, ge slikt al maanden vanalles in, en toch zijt gij degene die “altijd moeilijk doet”.
Ik zei: ‘Ga maar. Echt. Ge zijt toch al weg, nog voor ge de deur uit zijt.’
Kinderachtig misschien. Maar hij is effectief gegaan.
Voor de duidelijkheid: zijn moeder, Magda, is geen monster. Ze woont alleen in Sint-Niklaas sinds zijn vader gestorven is. Diabetes, slechte knieën, soms paniek. Ik snap echt wel dat ge uw moeder niet laat zitten. Alleen… het is al anderhalf jaar élke week iets. De medicatie niet in orde. De poetshulp die niet gekomen is. Een lamp die vervangen moet worden. Een overschrijving die ze niet begrijpt. Een lekke band van haar rollator, ik verzin het niet.
En altijd is het Wout. Nooit zijn zus Ellen. Die woont in Mechelen en ‘heeft het te druk met de kinderen’. Alsof wij op ons gemak zitten.
Ik werk 4/5 in een apotheek in Dendermonde. Wout werkt bij Fluvius. We hebben een rijhuis in Lokeren waar we ons blauw aan betalen. Tibo is zeven en zit in het eerste leerjaar. Hij heeft sinds een paar maanden onderzoeken lopen omdat de school denkt aan ASS. Dat zijn geen kleine dingen. Dat is papierwerk, gesprekken, slapeloze nachten, schuldgevoel, discussies met leerkrachten die wel vriendelijk doen maar u toch het gevoel geven dat ge achterloopt.
En in dat alles voelde ik mij gewoon… niet gekozen. Dat is misschien een hard woord, maar zo was het.
Die avond is hij pas om kwart voor één thuisgekomen. Ik zat in de zetel met alle lichten uit. Hij zei nog: ‘Serieus? Gaan we nu zo doen?’
Toen ben ik ontploft.
Ik zei dingen waar ik niet trots op ben. Dat hij precies getrouwd was met zijn moeder. Dat hij enkel kwam eten en slapen in ons huis. Dat hij voor haar alles liet vallen en voor ons alleen nog restjes overhad.
Hij werd ook kwaad. ‘Ge snapt er niks van.’
‘Leg het mij dan uit!’ heb ik geroepen.
En dan zei hij niks. Dat vond ik nog erger.
De volgende ochtend is hij de afspraak in Leuven vergeten. Gewoon vergeten. Ik stond met Tibo zijn rugzak klaar toen ik hem wakker maakte en hij mij aankeek alsof ik Chinees sprak. ‘Vandaag?’ zei hij. ‘Fuck.’
Ik heb Tibo meegenomen op de trein en heel de rit gehuild op het toilet tussen Leuven en Brussel-Noord, omdat ik verkeerd overgestapt was van de stress. Zo erg zat ik.
Toen ik thuiskwam, had ik een valies gepakt voor mij en Tibo en ben ik naar mijn zus in Aalst gereden.
Niet om te scheiden direct of zo. Gewoon om even weg te zijn. Om niet weer diegene te zijn die begrip moest tonen.
Wout heeft die avond twintig keer gebeld. Ik heb eerst niet opgenomen. Uiteindelijk wel. Hij klonk niet boos meer. Gewoon moe.
‘Er is iets dat ik u had moeten zeggen,’ zei hij.
Ik dacht nog: ja ja, nu komt het.
Maar het ging niet over een affaire of schulden of zoiets. Het was ook niet beter eigenlijk.
Blijkbaar had Magda maanden geleden een brief gekregen van de bank. Ze stond rood en had een achterstal op haar afbetaling. Ik wist niet eens dat zij nog afbetaalde op iets, maar dus wel: een overbruggingskrediet dat zij en haar man ooit genomen hadden toen zijn zaak overkop gegaan was. Na zijn overlijden was dat half blijven hangen in allerlei kosten. Wout was dat beginnen bijpassen. Eerst eenmalig. Dan nog eens. Dan elke maand een stuk.
‘Hoeveel?’ vroeg ik.
Hij zweeg.
Ik zei: ‘Wout, hoeveel?’
‘Zeshonderd euro ongeveer. Soms meer.’
Ik dacht echt dat ik ging overgeven.
Wij tellen hier soms op het einde van de maand munten voor de Delhaize, en hij gaf ongemerkt geld aan zijn moeder. Niet van een spaarpotje van hem alleen, hè. Van ons geld.
‘Ge hebt gelogen,’ zei ik.
‘Ik wist dat ge nee ging zeggen.’
‘Ja natuurlijk ging ik nee zeggen!’
En dan kwam het stuk waardoor ik nog altijd niet goed weet wat ik moet denken. Hij zei dat zijn vader, net voor hij gestorven is, tegen hem had gezegd: ‘Zorg dat uw moeder het huis niet verliest.’ Dat huis in Sint-Niklaas is zowat het enige dat ze nog heeft. En Wout heeft dat precies als een eed gezien.
Ik zei: ‘En wat met ons huis dan? Wat met Tibo?’
Hij begon te wenen. Dat had ik in jaren niet gezien. ‘Ik weet het niet meer, Lien. Als ik haar laat vallen, voel ik mij een slechte zoon. Als ik u laat vallen, ben ik een slechte man en vader. Ik ben precies overal te laat.’
Dat brak iets in mij, maar niet op een eenvoudige manier. Want ineens zag ik ook dat hij niet gewoon koos tégen ons. Hij was al maanden aan het verdrinken en heeft mij erbuiten gehouden. En ja, dat is zijn fout. Maar ik voelde ook hoe hard hij gevangen zat in iets van vroeger.
Tegelijk kwam er nog iets uit. Ellen wist het dus wél. Zijn zus. Zij had gezegd dat Wout ‘als enige een vast karakter’ had en dat Magda het niet zou overleven als ze uit haar huis moest. Makkelijk praten als ge zelf niks stort.
Ik ben twee nachten bij mijn zus gebleven. Mijn zus zei direct: ‘Teruggaan moogt ge, maar niet zonder afspraken. Ge zijt geen decorstuk in zijn leven.’ En eerlijk? Dat kwam binnen.
We hebben nu gepraat met een maatschappelijk werker van het OCMW in Sint-Niklaas. Er wordt gekeken naar extra hulp en een afbetalingsplan. Wout heeft aan zijn moeder moeten zeggen dat hij niet meer zomaar alles kan opvangen. Zij was kwaad. Ze zei dat ik hem opstookte. Dat deed pijn, ook al had ik het ergens verwacht.
Maar het ergste vond ik eigenlijk dat een deel van mij zich schuldig voelt. Alsof ik een oude vrouw haar veiligheid afpak. Terwijl een ander deel denkt: en wie zag mij nog staan eigenlijk?
Wout en ik zijn nu terug samen thuis, maar het is nog altijd raar. Voorzichtig. Alsof ge op een vloer loopt waarvan ge niet weet waar die nog kraakt. Hij probeert meer aanwezig te zijn. Ik probeer niet direct in aanval te gaan. Maar dat gevoel van onzichtbaar zijn, dat gaat niet weg met één sorry.
Ik snap loyaliteit. Echt. Maar als die loyaliteit uw eigen gezin langzaam kapot maakt, waar stopt dat dan? Wat zoudt gij doen in mijn plaats?