Alleen Nog Één: Het Verhaal van Julia

‘Mama? Waar blijf je nu toch?’ Mijn stem trilde terwijl ik de telefoon tegen mijn oor drukte. De koude, mechanische stem van Proximus sneed door de stilte: ‘Het toestel is uitgeschakeld of buiten bereik.’ Ik liet het toestel zakken en keek naar het schermpje, alsof ik daar een antwoord zou vinden. Buiten was het al donker geworden; de straatlantaarns wierpen gele vlekken op het natte trottoir. Mijn vingers trilden toen ik de telefoon uitzette – ik had nog amper belkrediet.

Ik ben Julia, zestien jaar, geboren en getogen in Gent. Sinds mijn ongeluk – een stomme val van de trap drie jaar geleden – zit ik in een rolstoel. Mama zorgt voor mij. Of beter: ze deed dat tot vanavond. Ze was naar de winkel gegaan, gewoon om wat melk en brood te halen. ‘Ik ben zo terug, meisje,’ had ze gezegd. Maar nu was het al bijna negen uur en de melk stond nog steeds niet op tafel.

De stilte in ons kleine appartement drukte op mijn borst. Ik hoorde het tikken van de klok, het zachte gezoem van de koelkast, en af en toe het geluid van een auto die voorbijreed. Mijn maag knorde, maar ik durfde niet naar de keuken te rollen – stel dat mama net binnenkwam en ik haar miste? Ik probeerde mezelf gerust te stellen: misschien stond ze gewoon in de rij bij Delhaize, misschien had ze haar gsm vergeten opladen.

Plots hoorde ik gestommel op de gang. Mijn hart sloeg over. Maar het was alleen meneer Van Damme, onze buurman, die zijn vuilnis buitenzette. Ik slikte mijn teleurstelling weg en probeerde niet te huilen.

Toen ik klein was, was alles eenvoudiger. Papa was er nog, met zijn luide lach en zijn grote handen die me altijd optilden als ik verdrietig was. Maar papa is vertrokken toen ik acht was – hij kon het niet aan, zei mama. ‘Hij is niet gemaakt voor zorgen,’ zei ze altijd bitter. Sindsdien waren we met twee. Of eigenlijk met drie: mama, ik, en de schaduw van papa die altijd ergens in huis leek te hangen.

Mijn gedachten werden onderbroken door een harde klop op de deur. Mijn hart bonkte in mijn keel. ‘Mama?’ riep ik hoopvol.

‘Julia? Het is juffrouw De Smet van beneden.’

Ik rolde naar de deur en opende hem voorzichtig. Juffrouw De Smet keek me bezorgd aan. ‘Meisje, is je mama nog niet thuis? Ik zag haar vanmiddag nog bij de bushalte.’

‘Ze is naar de winkel,’ fluisterde ik. ‘Maar ze is al uren weg.’

Juffrouw De Smet zuchtte diep. ‘Wil je dat ik iemand bel? De politie misschien?’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee… Ze komt wel terug.’ Maar mijn stem klonk hol.

De uren kropen voorbij. Om elf uur ’s avonds kon ik het niet meer houden. Ik belde tante Els in Aalst.

‘Julia? Wat is er aan de hand?’ Haar stem klonk slaperig.

‘Mama is weg… Ze kwam niet terug van de winkel.’

Tante Els vloekte zachtjes. ‘Ik kom eraan, meisje. Blijf waar je bent.’

Het wachten was ondraaglijk. Ik dacht aan alles wat mis kon gaan: een auto-ongeluk, een beroerte, of erger nog – dat ze gewoon niet meer terug wilde komen. Mama had het zwaar gehad de laatste maanden. Ze werkte als poetsvrouw bij een advocatenkantoor aan de Kouter, maar sinds haar contract niet verlengd werd, leefden we van haar uitkering en wat klusjes hier en daar. Soms hoorde ik haar huilen in de badkamer als ze dacht dat ik sliep.

Toen tante Els eindelijk aankwam – haar haar in war, haar jas over haar pyjama – sloeg ze meteen haar armen om me heen.

‘We bellen de politie,’ zei ze kordaat.

De agenten kwamen snel. Ze stelden vragen waar ik geen antwoord op wist: ‘Had je mama vijanden? Was ze depressief? Heeft ze ooit gezegd dat ze weg wilde?’

Ik voelde me schuldig omdat ik niets wist. Misschien had ik meer moeten opletten, meer moeten vragen hoe het met haar ging.

De dagen daarna waren een waas van wachten, hopen, en huilen. Tante Els bleef bij me slapen; ze maakte soep en probeerde me op te vrolijken met verhalen over vroeger, toen mama nog lachte en papa nog thuis was.

Op school werd er gefluisterd in de gangen. ‘Dat is dat meisje wiens moeder verdwenen is,’ hoorde ik iemand zeggen bij het kopieerapparaat. Mijn beste vriendin Lien probeerde me te steunen, maar zelfs zij wist niet wat te zeggen.

Na een week kwam er nieuws: mama’s handtas was gevonden aan de oevers van de Leie, vlakbij het Sint-Pietersstation. Mijn hart zonk in mijn schoenen toen de politie dat vertelde.

‘We doen ons best om haar te vinden,’ zei inspecteur Vermeulen zachtjes.

Maar diep vanbinnen wist ik dat alles veranderd was.

Tante Els nam me mee naar Aalst. Haar huis rook naar koffie en kattenvoer; haar man Luc probeerde me aan het lachen te maken met flauwe mopjes over Anderlecht en Club Brugge.

Maar niets voelde nog als thuis.

’s Nachts lag ik wakker en vroeg ik me af wat er gebeurd was met mama. Was ze gevallen? Had iemand haar iets aangedaan? Of was ze gewoon gevlucht voor alles wat te zwaar werd?

Op een dag vond ik een briefje tussen mama’s oude kleren:

‘Liefste Julia,
Als je dit leest, ben ik misschien niet meer bij jou. Vergeef me alsjeblieft. Ik heb zo hard geprobeerd om sterk te zijn voor jou, maar soms is het leven gewoon te veel. Jij bent mijn zonnetje, vergeet dat nooit.’

Mijn handen beefden toen ik het las. Tranen stroomden over mijn wangen.

Tante Els vond me zo op de grond, met het briefje tegen mijn borst gedrukt.

‘Ze hield van je, meisje,’ fluisterde ze terwijl ze me vasthield.

De maanden gingen voorbij. Ik leerde mezelf opnieuw uitvinden: nieuwe vrienden maken op school in Aalst, leren omgaan met een andere badkamer waar alles net te hoog stond voor mijn rolstoel, leren lachen om Luc’s slechte grappen.

Maar elke avond keek ik naar buiten, naar de sterren boven Aalst, en vroeg ik me af: waar ben je nu, mama? Heb je eindelijk rust gevonden?

Soms denk ik dat er maar één iemand overblijft als alles instort: jezelf. Maar hoe bouw je jezelf weer op als je alles kwijt bent?

En jullie – hebben jullie ooit iemand verloren zonder afscheid te kunnen nemen? Hoe vind je dan weer hoop?