Er bleef er maar één over
‘Mama? Waar blijf je nu toch?’ Mijn stem trilde terwijl ik de telefoon tegen mijn oor drukte. Buiten was het al donker aan het worden. De straatlantaarns in onze Gentse wijk flikkerden aarzelend aan. Ik zat aan de keukentafel, mijn handen krampachtig om de armleuningen van mijn rolstoel geklemd. Mijn benen voelde ik al jaren niet meer, maar nu leek het alsof de rest van mijn lichaam ook verlamd raakte van angst.
Ik toetste haar nummer opnieuw in. ‘De abonnee die u probeert te bereiken, is momenteel niet bereikbaar.’ De koude, onpersoonlijke stem van de operator sneed door mijn hoop. Ik keek naar het schermpje: nog maar 1,20 euro beltegoed. Ik zuchtte diep en legde de telefoon neer. Mama was gewoon naar de winkel gegaan, zoals elke vrijdagavond. Maar nu was het al bijna negen uur en ze was nog steeds niet terug.
Mijn blik gleed naar het raam. De regen tikte zachtjes tegen het glas. In de verte hoorde ik het geluid van een tram. Ik probeerde mezelf gerust te stellen: misschien stond ze gewoon in de file, of had ze een oude kennis tegengekomen in de Colruyt. Maar diep vanbinnen voelde ik dat er iets niet klopte.
Plots hoorde ik de voordeur kraken. Mijn hart sloeg een slag over. ‘Mama?’ riep ik, mijn stem schor van de spanning. Maar het was niet mama. Het was mijn oudere broer, Stijn, die met een klap zijn rugzak op de grond gooide.
‘Ze is er nog altijd niet?’ vroeg hij, zonder me aan te kijken. Zijn ogen waren rood door het wietroken, zijn jas nat van de regen.
‘Nee,’ fluisterde ik. ‘Ik heb haar proberen bellen, maar haar gsm staat uit of zo.’
Stijn vloekte zachtjes en liep naar de koelkast. ‘Altijd hetzelfde met haar,’ mompelde hij terwijl hij een blik Jupiler opentrok. ‘Ze denkt alleen aan zichzelf.’
‘Dat is niet waar!’ riep ik uit, feller dan ik bedoelde. ‘Ze doet haar best voor ons!’
Hij draaide zich om en keek me aan met die blik die hij altijd had als hij zich schaamde: boos en verdrietig tegelijk. ‘Ja, ja, jij gelooft dat allemaal nog. Maar ik weet wel beter.’
Ik wilde iets terugzeggen, maar op dat moment begon mijn telefoon te trillen. Een onbekend nummer verscheen op het scherm. Mijn hart bonsde in mijn keel toen ik opnam.
‘Met Ilona?’
‘Goedenavond, mevrouw,’ klonk een ernstige mannenstem. ‘U spreekt met inspecteur De Smet van de Gentse politie. Is uw moeder, mevrouw Van den Bossche, bij u thuis?’
Mijn adem stokte. ‘Nee… ze is naar de winkel gegaan en… ze is nog niet teruggekomen.’
‘We hebben haar fiets gevonden aan het water bij de Visserij,’ zei hij zachtjes. ‘We doen ons best om haar te vinden, maar… misschien kunt u ons wat meer vertellen over haar toestand de laatste tijd?’
Ik voelde Stijns blik branden op mijn gezicht terwijl ik probeerde uit te leggen hoe mama zich de laatste weken gedragen had: moe, afwezig, soms huilend in de badkamer als ze dacht dat niemand het hoorde.
Toen ik ophing, was het alsof er een koude mist in huis hing. Stijn sloeg zijn armen om me heen – iets wat hij nooit deed – en samen zaten we zwijgend aan tafel tot diep in de nacht.
De dagen daarna waren een waas van politiebezoeken, vragen van buren en familieleden die plots opdoken met schalen lasagne en goedbedoelde raad. Mijn tante Marleen uit Aalst kwam logeren om voor ons te zorgen. Ze rookte sigaretten op het balkon en belde constant met haar vriendinnen om te roddelen over onze situatie.
‘Ze zal wel terugkomen,’ zei ze telkens weer tegen mij, maar haar ogen verraadden twijfel.
Stijn werd steeds stiller. Hij kwam ’s nachts laat thuis, zijn ogen dof van de drank of erger. Op een avond hoorde ik hem snikken in zijn kamer. Ik wilde naar hem toe rijden met mijn rolstoel, maar durfde niet.
Op een dag kwam inspecteur De Smet opnieuw langs. Hij nam plaats aan onze keukentafel en keek me ernstig aan.
‘Ilona, we hebben alles onderzocht wat we konden,’ zei hij zachtjes. ‘We hebben geen spoor van je mama gevonden. Het spijt me heel erg.’
Het voelde alsof iemand een gat in mijn borst had geslagen. Ik huilde niet eens – ik kon alleen maar staren naar het tafelkleed met de vlekken van oude tomatensaus.
De weken werden maanden. Tante Marleen bleef langer dan gepland en begon zich steeds meer met alles te bemoeien: wat we aten, wanneer ik moest slapen, zelfs welke vrienden ik mocht zien.
‘Je moet sterk zijn voor Stijn,’ zei ze vaak tegen mij. ‘Hij heeft het moeilijker dan jij denkt.’
Maar wie was er sterk voor mij? Niemand leek te begrijpen hoe leeg het huis voelde zonder mama’s zachte stem of haar geur van lavendel en koffie.
Op een dag vond ik een briefje onder mama’s kussen toen ik haar kamer opruimde:
“Lieve Ilona,
Als je dit leest, ben ik misschien even weg. Weet dat ik altijd van je hou, wat er ook gebeurt. Vergeet nooit hoe dapper je bent.”
Mijn handen trilden terwijl ik het las. Was dit een afscheid? Of gewoon een moeder die even wilde ontsnappen aan haar zorgen?
Ik begon te zoeken naar antwoorden: sprak met haar collega’s in het rusthuis waar ze werkte, zocht tussen haar spullen naar aanwijzingen. Overal vond ik sporen van haar verdriet: onbetaalde rekeningen, brieven van deurwaarders, foto’s van vroeger toen papa nog leefde.
Langzaam begon ik te begrijpen hoe zwaar alles voor haar geweest moest zijn: alleenstaande moeder met twee kinderen, één ervan in een rolstoel, altijd geldzorgen, altijd vechten tegen de stroom in.
Stijn werd intussen steeds onbereikbaarder. Op een avond kwam hij niet thuis. Tante Marleen belde de politie, maar die konden niets doen – hij was tenslotte al achttien.
Ik zat alleen in mijn kamer toen hij plots binnenstormde, zijn gezicht nat van de regen en zijn ogen wild.
‘Ze is weg door ons!’ schreeuwde hij plotseling uit. ‘We hebben haar kapotgemaakt!’
‘Dat is niet waar!’ riep ik terug, tranen brandend achter mijn ogen. ‘Jij misschien! Maar ik…’
Hij sloeg met zijn vuist op de muur en zakte toen huilend op de grond.
Die nacht sliep ik niet. Ik dacht aan mama’s glimlach, aan hoe ze altijd zei dat alles goed zou komen – zelfs als dat niet waar was.
De maanden gingen voorbij en langzaam leerde ik leven met het gemis. Ik ging weer naar school – met mijn rolstoel over de kasseien van Gent, tussen mensen die me soms medelijdend aankeken maar meestal gewoon voorbijliepen.
Soms droomde ik dat mama plots weer binnenstapte: haar jas nat van de regen, haar ogen moe maar warm.
Maar elke ochtend werd ik wakker in dezelfde stilte.
Op een dag – bijna een jaar later – kreeg ik een brief zonder afzender:
“Lieve Ilona,
Het spijt me dat ik weg ben gegaan zonder afscheid te nemen. Ik kon het allemaal niet meer aan: de schulden, de zorgen om jullie toekomst… Maar geloof me alsjeblieft: jij bent sterker dan je denkt. Vergeef me als je kan.”
Ik las de brief honderd keer opnieuw. Was ze nog ergens daarbuiten? Zou ze ooit terugkomen?
Stijn kwam langzaam weer thuis wonen. We spraken weinig over mama, maar soms zaten we samen op het balkon en keken we zwijgend naar de ondergaande zon boven de stad.
Nu ben ik negentien en woon nog steeds in hetzelfde huis in Gent. Tante Marleen is weer naar Aalst verhuisd; Stijn werkt als elektricien en probeert zijn leven op orde te krijgen.
Soms vraag ik me af: wat als mama nooit meer terugkomt? Hoe lang kan je blijven hopen?
En vooral: hoe vind je opnieuw geluk als er iemand ontbreekt die je alles betekende?
Misschien hebben jullie daar een antwoord op? Of zijn er anderen die hetzelfde hebben meegemaakt?