“Gij zijt precies helemaal uzelf niet meer”: hoe ik tussen mijn gezin, mijn werk en ieders verwachtingen mezelf precies kwijtgeraakte
“Amai, gij gaat nu toch niet doen alsof wij het probleem zijn?” Dat was het eerste wat Wouter zei toen ik eindelijk hardop uitsprak dat ik het zo niet meer trok.
We stonden in onze keuken in Sint-Niklaas, half tien ’s avonds, de vaat nog op het aanrecht, mijn gsm die al drie keer had getrild omdat mijn mama weer stuurde of ik zondag zeker naar haar kwam. Boven zat onze dochter Noor van negen te sniffen, want zij had uiteraard alles gehoord. En ik stond daar met mijn jas nog aan, omdat ik eigenlijk gewoon even naar buiten had willen gaan wandelen, maar dat gesprek was weer geëscaleerd.
“Ik zeg toch niet dat gij het probleem zijt,” zei ik. “Ik zeg dat ik precies niet meer weet waar ik eindig en waar iedereen anders begint.”
Hij rolde met zijn ogen. “Ja sorry hoor, mevrouw heeft een druk leven. Gelijk iedereen.”
Dat kwam binnen. Misschien omdat ik zelf al maanden dacht dat ik overdreef. Ik ben 38, ik werk vier vijfde bij een mutualiteit in Dendermonde, ik regel thuis bijna alles, en ja, dat is voor veel vrouwen zo. Schoolmails, turnzak, cadeaus voor verjaardagen, doktersafspraken, zien dat er brood is, dat de mazout besteld is, dat zijn vader op zondag eens bezoek krijgt in het woonzorgcentrum in Lokeren. En tegelijk op het werk altijd vriendelijk blijven tegen mensen die kwaad zijn omdat hun dossier nog niet in orde is. Dat is niet speciaal. Dat is gewoon het leven.
Maar ergens onderweg was ik precies verdwenen.
Ik merkte dat al langer. Kleine dingen. Ik zei altijd ja. Op mijn werk als er iemand een late shift niet wilde. Tegen mijn mama als ze zei: “Gij zijt toch de enige die ik nog heb voor zoiets.” Tegen Wouter als hij aannam dat ik Noor wel naar de logopedie zou brengen omdat hij “echt niet weg kon” van op kantoor in Zaventem. Zelfs mijn schoonzus Katrien belde mij rechtstreeks als er iets geregeld moest worden voor zijn vader. Niet hem. Mij.
En het ergste? Ik deed dat ook nog. En dan begon ik stilletjes bits te worden. Snauwen. Dingen vergeten. In de auto soms gewoon blijven zitten op de parking van de Colruyt omdat ik geen zin had om naar binnen te gaan.
Een paar weken geleden zei mijn collega Samira ineens: “Eef, ge lacht nog wel, maar ge zijt precies al lang niet meer blij.” Ik heb dat toen weggelachen. Maar die zin bleef hangen.
Dus had ik eindelijk voorgesteld om één avond per week echt voor mij te houden. Geen kind, geen boodschappen, geen familiebezoek, geen werkmails. Ik wou terug keramiek gaan doen in het centrum in Sint-Niklaas, iets stom en klein, gewoon twee uur per week. Wouter zei eerst: “Ja, tuurlijk.” Maar elke week kwam er iets tussen. Een klantendiner. Zijn vader die gevallen was. Noor die een toets had en niet goed sliep. Mijn mama haar boiler die zogezegd dringend nagekeken moest worden. Altijd iets.
En gisteren zei ik dus: “Ik heb mij ingeschreven. Vanaf volgende donderdag ben ik weg van half zeven tot half tien. Ge zult dat moeten regelen.”
Toen ontplofte hij.
“Moeten? Serieus? Alsof ik niks doe hier?”
Dat is het lastige. Want hij doet wel dingen. Hij kookt vaak op vrijdag. Hij brengt Noor op zaterdag naar de Chiro als hij kan. Hij is niet zo’n vent die in de zetel hangt met een pint terwijl ik alles doe. Daarom voelde ik mij ook zo schuldig. Alsof ik iets eiste dat niet eerlijk was.
Maar ik zei: “Het gaat niet over één donderdag. Het gaat erover dat iedereen precies verwacht dat ik mij altijd aanpas.”
Hij werd stil en zei toen iets dat ik nog erger vond: “Ja maar gij zijt daar ook gewoon beter in. Ge ziet die dingen.”
Snap je? Dat klinkt bijna als een compliment. Maar dat is ook hoe ge iemand vastzet.
Ik ben dan toch gaan wandelen. Naar het station en terug, in de motregen, zonder paraplu. Mijn mama belde drie keer. Ik nam niet op. Toen stuurde ze: “Als ge kwaad zijt, zeg het dan. Ik heb ook niet gevraagd dat uw vader mij alleen liet met alles.” Dat trok mij direct weer in haar miserie.
Mijn ouders zijn gescheiden toen ik zestien was. Mijn broer Stef woont in Gent en laat amper iets van zich horen. Dus ja, ik ben altijd degene geweest die bleef plakken. De brave. De betrouwbare. Als mijn mama iets nodig had, was het: Eef zal dat wel doen. En eerlijk? Dat gaf mij ook iets. Gevoel dat ik nodig was. Dat ik de goeie was.
Vandaag is het pas echt gekanteld.
Ik ben vanmorgen naar mijn mama gereden in Temse, omdat ik mij toch slecht voelde over gisteren. Ze deed open in haar kamerjas, heel zielig precies, maar tegelijk ook direct verwijtend. “Gij hebt precies ook nooit tijd meer.” Ik voelde mij meteen weer dat kind van zestien.
Terwijl ik haar papierwerk van de hospitalisatieverzekering aan het nakijken was, zag ik toevallig een envelop van een notaris in Beveren. Niet expres aan het neuzen, die lag gewoon open op tafel. Ik zag de naam van mijn broer Stef. En bedragen.
Ik vroeg: “Wat is dat?”
Ze werd rood en zei eerst: “Niks voor u.” Toen begon ik al te koken. Uiteindelijk kwam het eruit. Mijn mama had vorig jaar al geld gegeven aan Stef om zijn schulden af te lossen. Een serieuze som. En nu was ze haar appartement aan het herzien qua naakte eigendom en vruchtgebruik, zogezegd “om later miserie te vermijden”.
“Dus ge hebt wel geld om Stef uit de shit te halen,” zei ik, “maar tegen mij doet ge al twee jaar alsof elke kapotte kraan een ramp is zodat ik alles kom regelen?”
Zij begon te wenen. “Dat is anders. Gij kunt uw plan trekken. Stef niet.”
En dat was precies de samenvatting van mijn hele leven.
Niet omdat ik de sterkste ben. Maar omdat iedereen beslist heeft dat ik het wel aankan.
Toen kwam de echte klap. Ze zei: “En trouwens, ge moet niet doen alsof ge alles voor iedereen opoffert. Ge hebt dat ook nodig, Eef. Als niemand u nodig heeft, wie zijt ge dan nog?”
Dat was zo gemeen dat ik eerst gewoon ben opgestaan om te vertrekken. Maar in de auto begon ik te wenen omdat… wat als ze gelijk heeft? Wat als ik zélf mee gebouwd heb aan die kooi? Ik zei altijd ja omdat ik niet onmisbaar wou verliezen. Omdat applaus krijgen voor ‘de sterke’ veiliger voelde dan toegeven dat ik ook gewoon rust wil. Dat ik soms niemand wil helpen. Dat ik zelfs af en toe weg wil van mijn eigen huis.
Vanmiddag heb ik Wouter alles verteld. Ook over dat geld voor Stef. Ook wat mijn mama gezegd had. Hij was langer stil dan ik verwacht had. Dan zei hij: “Ik denk dat ge gelijk hebt over veel dingen. Maar ik denk ook dat ik niet doorhad hoe slecht het echt ging. Ge zegt altijd dat het wel gaat.”
Ik werd daar kwaad van. “Ja, moet ik eerst instorten misschien?”
Hij zei heel zacht: “Misschien wel bijna, ja.”
We hebben daarna voor het eerst in lang echt gepraat. Niet opgelost, hè. Zeker niet. Hij gaf toe dat hij vaak gewoon wachtte tot ik iets regelde omdat dat makkelijker was. Ik gaf toe dat ik dingen naar mij toetrok en dan achteraf verbitterd werd. Noor kwam beneden en vroeg of wij gingen scheiden. Ik zweer, mijn hart brak. Wouter zei direct: “Nee meisje, maar mama is moe en wij moeten beter luisteren. Allebei.”
En toen zei Noor iets dat ik niet ga vergeten: “Mama, ge zegt altijd ja en dan zijt ge boos.” Uit de mond van een kind van negen. Pijnlijk juist.
Dus nu is het dit: volgende donderdag ga ik naar die keramiekles. Punt. Mijn mama gaat mij misschien dagen negeren. Mijn broer heeft nog altijd niks van zichzelf laten horen. Wouter doet alsof hij mee wil, maar ik weet niet of dat blijvend is of gewoon schuldgevoel. En ik voel mij tegelijk opgelucht en misselijk. Alsof ik iets heel kleins doe, maar ook iets enorms.
Ik weet eigenlijk niet of ge uzelf ineens terugvindt door één grens te trekken. Misschien niet. Misschien ben ik veel te lang iemand geweest die vooral bestond in functie van anderen. Maar ik weet wel dat ik schrik heb om zo verder te doen, omdat er op den duur misschien niks van mij overblijft behalve “degene die alles regelt”.
Dus ja. Ben ik egoïstisch als ik nu eindelijk stop met altijd de redder te zijn, ook al laat ik dan mensen achter die mij echt nodig hebben? Wat zouden jullie doen in mijn plaats?