“Ge zijt te veel geworden voor mij.” Toen mijn man dat zei terwijl ik nog maar net rechtstond na mijn zwaarste periode, voelde ik iets in mij breken
“Ge moogt mijn gsm pakken als ge mij toch niet gelooft,” zei Thomas, en hij smeet dat ding op de keukentafel alsof híj hier het slachtoffer was.
Ik stond daar in mijn kousen, met een tas van de Colruyt nog half uitgepakt, en ik wist al dat er iets niet klopte. Niet omdat ik zo slim ben. Gewoon omdat hij de laatste maanden altijd zijn gsm meenam. Zelfs naar het toilet. En nu ineens stoer doen.
“Ik wil uw gsm niet,” zei ik. “Ik wil dat ge één keer normaal antwoordt. Wie is Ellen?”
Hij keek weg. Da’s altijd slecht bij Thomas. Als hij direct kwaad wordt, liegt hij soms. Als hij stil wordt, is het meestal erger.
“Een collega van bij de mutualiteit vroeger,” mompelde hij.
Vroeger. Dat woord alleen al.
Ik had haar naam gezien op zijn bankapp. Twee overschrijvingen. Niet gigantisch, maar ook niet niks. 450 euro en 300 euro. Met als mededeling: voor de huur. Wij hebben zelf discussies over de voorschotfactuur van Engie, ik tel in de Delhaize of ik A-merken laat liggen, en hij betaalt huur voor een andere vrouw?
“Ge betaalt huur voor uw collega van vroeger? Zijt ge niet goed?”
“Ge weet niet hoe dat zit.”
Dat is zo’n zin waardoor ge direct nog meer weet dat het fout zit.
Ik ben Ines, 38, van Sint-Niklaas. Twee kinderen, een rijhuis waar nog altijd van alles aan moet gebeuren, halftijds terug aan het werk in een apotheek nadat ik maanden thuis geweest ben. Burn-out, paniekaanvallen, niet meer kunnen slapen, heel de miserie. Ik schaam mij daar niet meer voor, maar op het moment zelf… amai. Ik kon nog niet alleen naar de Carrefour zonder te moeten terug naar buiten omdat ik dacht dat ik ging flauwvallen.
En in die periode was Thomas zogezegd “meer aan het overwerken”.
“Zeg het gewoon,” zei ik. “Hebt gij een affaire gehad terwijl ik boven lag met medicatie en niet eens voor mezelf kon zorgen?”
Hij zei eerst niks. Dan: “Dat woord affaire, Ines…”
Ik ben beginnen lachen. Echt dat harde, lelijke lachen. “Amai ja, natuurlijk. Welke moderne term wilt ge? Een verbinding? Een moeilijke periode?”
Hij riep terug. Dat ik alles zwart-wit maak. Dat hij alleen maar iemand had om mee te praten. Dat hij kapot was. Dat hij ook de kinderen moest opvangen, koken, werken, luisteren naar mij als ik weer zei dat ik het niet meer aankon. En ja, dat dat te ver gegaan is.
Te ver gegaan. Zo zei hij het.
Blijkbaar was het begonnen in de tijd dat ik op dagopname moest in het ziekenhuis in Lokeren. Ellen had zelf ook problemen, zei hij. Gescheiden, appartement kwijt, tijdelijk op een studio in Temse. Ze begreep hem. Ze luisterde. “Bij u thuis was er alleen nog crisis,” zei hij. “Ik kon nergens nog gewoon ademen.”
Dat deed pijn, maar het ergste moest nog komen.
Want ik vroeg: “En hoe ver is te ver?”
En hij zei: “Eén keer.”
Eén keer. Alsof dat iets oplost.
Ik ben toen gewoon gaan zitten, want ik voelde mijn benen niet meer. Hij wou mij aanraken en ik zei: “Blijf van mij.” Onze dochter Noor kwam binnen net op dat moment en voelde direct dat er iets was. “Zijn jullie weer bezig?” vroeg ze. Ze is twaalf, maar precies soms al veertig. Dat breekt mij misschien nog het meest.
Die avond is hij bij zijn broer in Beveren gaan slapen.
Ik dacht eerlijk: gedaan. Over. Ge doet dat niet. Niet in die periode. Niet als ik u letterlijk gesmeekt heb om mij niet alleen te laten. Ik had hem toen eens gebeld van op de parking van de huisarts omdat ik niet durfde binnen te gaan, en hij nam niet op. Bleek nu dus dat hij bij haar zat.
Maar kijk, mensen zijn rap met oordelen tot er meer bovenkomt.
Twee dagen later kwam mijn schoonmoeder langs. Zonder te bellen, natuurlijk. “Ge gaat toch niet alles kapotmaken voor één fout?” zei ze nog voor ze haar jas uit had. Ik was al direct slechtgezind. Maar dan zei ze iets dat ik niet wist.
Thomas had in die maanden een schuld opgebouwd. Niet door gokken of zo. Door mij.
Dat klinkt gemeen, ik weet het. Maar wacht.
Toen ik thuis zat, kreeg ik vertraagde uitbetalingen van de mutualiteit en daarna minder loon omdat ik in tijdskrediet moest stappen om terug op te bouwen. We hadden het al krap door de lening. Ik wist dat. Wat ik niet wist, is dat hij ook geld had geleend aan mijn broer Kevin.
Kevin was zijn werk kwijt bij een garage in Dendermonde en zat met achterstallige alimentatie. Hij had Thomas gesmeekt om niks tegen mij te zeggen “omdat Ines al genoeg had aan haar hoofd”. Mijn man had hem in totaal bijna 3.000 euro gegeven. Van onze buffer. En Kevin heeft dat amper terugbetaald.
Dus ja, die overschrijvingen aan Ellen waren fout, maar blijkbaar had zij hem ook geld voorgeschoten toen onze rekening in het rood stond en de hypotheek dreigde te laat betaald te worden. Die 450 en 300 euro waren terugbetalingen.
Ik wist niet meer wat ik moest geloven. Ik was razend op Thomas. Maar ook op Kevin. En op mezelf, omdat ik blijkbaar maanden in een huis geleefd heb waar iedereen beslissingen nam “om mij te sparen”. Ik voelde mij geen partner meer, eerder een patiënt waar ge rondloopt op tippen.
Toen Thomas terugkwam, zei ik: “Hebt ge mij bedrogen? Ja of nee. Zonder halve zinnen.”
Hij zei: “Ja.”
Ik vroeg: “Hebt ge van haar gehouden?”
Heel lang stilte. Dan zei hij: “Nee. Maar ik voelde mij bij haar geen slechte mens voor vijf minuten.”
Ik haat dat ik dat ergens snapte. En tegelijk haat ik hem daarvoor nog meer.
Want ik was ook niet mezelf in die tijd. Ik was lastig, wantrouwig, leeg, soms echt hard. Ik heb dingen gezegd als: “Ge waart beter af zonder mij.” En misschien heeft hij dat op den duur geloofd. Maar ge zijt getrouwd, hé. Ge hebt kinderen. Er zijn grenzen.
Kevin ontkent intussen niet eens meer dat hij geld gepakt heeft. Hij zegt dat Thomas zelf besliste en dat ik niet moet doen alsof iedereen rond mij draait. Misschien heeft hij daar zelfs een punt. Dat maakt het alleen nog vuiler.
Thomas zegt nu dat hij therapie wil. Dat hij al maanden alles wou opbiechten maar bang was dat ik zou instorten. Ik heb gezegd dat dat gemakkelijk is: zwijgen en het dan “beschermen” noemen.
Toch heb ik hem nog niet buitengezet. Dat is misschien het deel waar mensen mij zwak gaan vinden. Maar het huis is ook van ons allebei, de kinderen zien hun vader graag, en als ik heel eerlijk ben: ik mis soms zelfs de gewone dingen. Samen koffie drinken voor school. Klagen over de files op de E17. Zo stom is dat.
Maar dan denk ik weer aan dat ene beeld: ik in de zetel onder een fleecedeken, pillen naast mij, compleet kapot, en hij die zogezegd ging overwerken terwijl hij ergens anders troost zocht. En dan voel ik direct: nee. Misschien is er voor veel dingen vergeving. Maar is er ook vergeving voor iemand die u laat vallen op het moment dat ge hem het hardst nodig hebt?
Ik weet het echt niet. Wat zoudt gij doen: nog één kans geven omdat niemand perfect is, of juist stoppen omdat er op sommige momenten gewoon geen tweede keer mogelijk is?