Tussen glans en leegte: Het verhaal van Els De Smet

‘Dus… jij denkt echt dat je gewoon alles kunt achterlaten, Bart?’ Mijn stem trilde, schor van de wanhoop, terwijl ik hem bleef aanstaren over de rand van ons oude notenhouten keukentafel. Eén treurige lamp boven ons, buiten de regen die bijna routineus tegen het raam klopte, en Bart die zijn jas over zijn schouder kieperde alsof hij morgen gewoon weer zou thuiskomen. ‘Het is niet alleen van mij afhankelijk, Els. Je weet ook dat we zo niet meer kunnen leven. Alles is veranderd tussen ons.’

Zijn woorden sloegen als slagen op mijn borst. Ik voelde mijn adem zwaar, steek na steek in mijn maag. Bart en ik waren bijna dertig jaar samen geweest – we kochten samen dit huis in de rand van Gent, lachten, ruzieden, kweekten tomaten in de tuin. ‘Is het ’t geld?’ siste ik, wetend dat het verhaal rondom geld misschien centraal stond, maar dat er onderhuids een ander gevecht woedde, iets met waarde, met gezien worden. ‘Of zij?’ Mijn vingers trilden zo hard dat ik ze in mijn trui moest klemmen.

Bart zweeg. In dat moment stierven er honderd kleine dromen in mij. ‘Zij begrijpt mij tenminste,’ fluisterde hij dan, ongemakkelijk. ‘Ik voel me daar weer… ja, waardevol. Niet de ouwe sok die enkel nog goed is voor het gras afrijden en het maandelijkse zakgeld.’ De wrange ironie bleef hem ontsnappen – het was zijn spaargeld dat nu plots een speelbal werd.

Leegte. Dat is wat ik voelde. Alsof hij, met zijn vertrek, niet alleen zijn kleren weggriste, maar ook het gevoel dat ik ergens bij hoorde. In het huis klonk de echo van onze dagelijkse gewoontes: zijn slippers op de trap, zijn koffiegeur ’s ochtends. Dagen daarna bleef ik eindeloos in die leegte turen, betastend wat ik ‘fouten’ moest noemen, of gewoon ouderdom. Mijn dochter Lien, die na de breuk even kwam logeren, probeerde luchtig te doen. ‘Mama, wat je moet missen aan papa? Hij heeft u misschien niet verdiend. Geloof dat toch eens.’

Maar ze begreep het niet. Of beter: ze wilde niet begrijpen dat het niet de man zelf was die ik miste, maar het gevoel dat je iemand bent omdat je belangrijk bent voor de ander. Dat je telt. Vroeger danste ik op feestjes met Bart, nu voelde ik me waardeloos als ik alleen een fles wijn probeerde open te krijgen en het stopje brak. Ineens waren zelfs die futiele dingen heel groot.

Met de scheiding kwamen de onderhandelingen. Niet koud, zakelijk als bij vreemden – maar traag, vol bitsigheid en wrok. Mijn schoonzus Karin – altijd bezig met haar oordelen – hing de bemiddelaar uit. ‘Pak gewoon wat je krijgen kunt, Els. Zie dat je geld overhoudt. Je zit daar met die afbetaalde villa, komaan. Bart is weg, jij leeft verder. Klaar!’ Ik haatte die simplistische aanpak. Alsof de waarde van veertig jaar leven samen in euro’s kon worden omgezet.

Avondenlang las ik oude brieven en bekeek vergeelde foto’s. Zocht naar tekenen – het moment waarop het misliep. Mijn beste vriendin Sofie hoorde me huilen aan de telefoon. ‘Het is gemakkelijker om boos te zijn dan om verdrietig te blijven, Els. Veeg zijn naam weg van de muur, herschilder die kamer. Jij bent meer dan de helft van een vroeger stel.’ Doch na het bellen lag ik, verstijfd, starend naar de barsten in het plafond, me afvragend: Hoe overleef je een wereld die je, zelfs na zoveel jaren trouw, zomaar inwisselbaar behandelt?

De buurt begon te roddelen. Op de kleine markt, tussen de preiwitten en appelen, voelde ik blikken. ‘Amai, de Els is alleen nu?’ Of: ‘Die Bart zag ik laatst met zo’n jonge madam, ’t zal plezant zijn aan de overzijde van de Schelde.’ Mijn handen trilden als ik munten telde bij de bakker. Mijn eigenwaarde werd elke dag kleiner gemaakt door een blik, een verhaal, een herinnering. Soms hoopte ik dat Bart plots in de wachtrij stond, en me zou verlossen. En toch – sinds zijn vertrek had ik niet meer gefloten, geen liedje meer gezongen bij het afwassen.

Mijn broer Koen probeerde te helpen: ‘Laat zijn rommel goed staan, straks komt hij het nog halen – of maak er komaf mee! Wat heb je eraan jezelf te omringen met zijn dingen?’ Maar het was niet zijn tandenborstel, noch zijn oude truien in de kast, die mij vast hielden. Het was het wankele gevoel van bestaanszekerheid, dat geruststellende besef dat iemand op je wacht. Obsessief vroeg ik me af: bestaat het idee van ‘veiligheid’ echt, of is het altijd een leugen, behendig verteld om de alledaagse angst te sussen?

Ondertussen verwaterden zelfs de vriendschappen. Uitgenodigd worden als ‘de Els alleen’ in plaats van ‘Els en Bart’, het ongemakkelijke lachen aan tafel, nooit meer op parenreizen, altijd een derde wiel. Op mijn werk als administratief bediende in het AZ Sint-Lucas keek mijn baas Marc mij ineens met medelijden aan. ‘Trekt ge het nog een beetje, Els? Pakt gerust wat extra verlof. Scheidingen zijn zwaar ze, geloof mij.’ De warme solidariteit stak even op maar voelde kil in de nasmaak. Werk – altijd was ik de plichtsbewuste, die nooit klaagde. Nu liep ik rond als een spook met een archiefmap, bang dat elke dag mijn positie daardoor wat wankeler werd, dat men me uiteindelijk minder zou achten om mijn gevoelsleven.

’s Nachts, als het huis knarste onder de wind, fluisterde ik tot mezelf. ‘Was ik dom om alles op het gezin te zetten? Had ik niet meer moeten investeren in mezelf? Hoe word je terug ‘iemand’ als alles wat je was, is uiteengevallen?’ In plaats van troost te vinden in kleine routines, vrat het gevoel van overbodigheid mij langzaam op. Ik was een restje in mijn eigen huis, niets beters dan Bart’s oude sok.

De dagen werden korter. Ik probeerde te wandelen, dwars door het Citadelpark, waar Bart en ik ooit als jonge ouders de eendjes voederden met broodkruimels. Kinderen liepen nu hand in hand met hun ouders – hun gelach deed pijn. Op een dag zag ik Bart naast een jonge vrouw, beiden druk in gesprek op een bankje. Mijn benen werden slap. Zij lachte makkelijk, gooide haar hoofd achterover. Er was geen twijfel meer mogelijk.

’s Avonds zat ik in stilte. De ruimte zinderde van onweersenergie. Lien belde, hoorde aan mijn stem dat ik weer terug bij af was. ‘Mam, ik weet dat het erg is. Maar je bent er nog. Jij wórdt niet gedefinieerd door wie bij je is, of wie niet. Probeer dat te geloven.’

Loslaten is, zo leerde ik, geen daad van lafheid, maar een genadeloze beweging tegen je eigen hartverscheurende behoeftes. Ik begon kleine hoekjes van het huis te schilderen, foto’s weg te stoppen. Ondanks alles probeerde ik voort te doen, opnieuw te ademen.

De rechtbank volgde. Advocaten presenteerden rekensommen, blonken uit in afstandelijkheid. ‘Uw pensioenrechten, uw aandeel, meneer, mevrouw.’ Materieel was ik gezekerd – althans volgens papieren en handtekeningen. Maar binnenin was ik tot op het bot verloren. Mijn laatste zekerheid – het gevoel dat ik bestond voor iemand – werd niet meegegeven met de notaris. ‘Voilà Els, ’t is geregeld,’ zei mijn advocaat. ‘Sterkte, madam.’

’s Nachts huilde ik nog vaak, om wat geweest was, en wat ik misschien nooit meer zou vinden. Zonder Bart probeerde ik opnieuw te ontdekken wie Els was; zonder zijn blik, zonder zijn goedkeuring, zonder het dagelijkse delen van herinneringen of bitterheid. De angst bleef sudderen: ben ik nu simpelweg overbodig, een relikwie van een voorbij tijdperk, of heb ik nog iets te bieden aan wie dan ook? Kan je de waarde in jezelf vinden, als de spiegel zegt dat je minder bent geworden?

Op het einde blijft maar één vraag knagen: Is het ooit mogelijk om je écht heel te voelen, als wat je het meeste wilde – waardering, belang, erbij horen – verdwijnt met iemand die jou de rug toekeerde? Is een zekere emotionele afsluiting niet veel kostbaarder dan zekerheid op papier? Wat denken jullie: kiezen jullie zelf ooit voor rust, of mag het allemaal naar de vaantjes gaan zolang je gevoel maar niet verloren gaat?