Ik stond te roepen in de gang bij mijn buurvrouw van 84, terwijl haar dochter mij aankeek alsof ík het probleem was
“Gij komt hier niet zomaar de redder spelen, hé.”
Dat zei Sabine, de dochter van mijn buurvrouw Marie, gewoon in de gang van ons appartementsblok in Sint-Niklaas, waar half de verdieping het kon horen. Ik had nog altijd een zak van de apotheek van Multipharma in mijn hand en ik was zó kwaad dat ik begon te trillen.
“Ik speel hier al drie jaar niks,” zei ik. “Ik doe gewoon alles wat gij niet doet.”
Marie zat intussen binnen op haar stoel te wenen. En eerlijk? Op dat moment vond ik dat vooral irritant, omdat ik al maanden op mijn tandvlees zat.
Ik ben Jana, 41, getrouwd, twee kinderen van 11 en 14. Mijn man Tom werkt in de vroege bij Colruyt in het distributiecentrum van Halle. Ik werk halftijds aan de kassa in de Carrefour Market. Of ja, werkte redelijk normaal, tot Marie meer en meer op mij begon te leunen.
In het begin was dat klein. “Jana, kunt ge iets meebrengen van den Delhaize?” “Jana, mijn itsme werkt niet voor Doccle.” “Jana, ik geraak niet bij de huisarts.” En ja, ge helpt dan. Dat is uw buurvrouw. Haar man was al jaren dood, en ze was nog goed van geest, dacht ik toen toch, maar slecht te been.
Alleen werd dat langzaam alles. Boodschappen. Haar medicatie halen. Mee naar AZ Nikolaas. De papiermolen met de mutualiteit. Wachten op de poetshulp die niet kwam. De wijkverpleging bellen. Haar rolluik dat vastzat. Ik had haar huissleutel “voor noodgevallen”, maar op den duur was precies heel haar leven een noodgeval.
Tom zei dat al lang. “Dit is geen beetje helpen meer, Jana. Dit is mantelzorg. En niet eens voor uw eigen familie.”
Ik werd daar kwaad van. “Ja sorry dat ik nog een hart heb.”
Maar de waarheid is: thuis begon alles te schuiven. Ik vergat oudercontacten. Mijn jongste had een spreekbeurt en ik was te laat omdat Marie haar voorschrift dringend binnen moest voor de apotheek sloot. Mijn oudste zei op een avond: “Mama, als Marie belt, pakt gij direct op. Als ik roep uit de douche, hoort ge mij niet eens.” Dat kwam binnen. Hard.
En toch bleef ik gaan. Ook omdat Marie slim was, als ik eerlijk ben. Niet slecht slim, maar… ge voelt u nodig. Ze zei dingen als: “Zonder u moet ik naar een rusthuis, meisje.” Of: “Gij zijt de enige die nog echt om mij geeft.” Wie zegt daar dan zomaar nee op?
Sabine, haar dochter, zag ik bijna nooit. Die woonde in Brasschaat, zei Marie altijd met zo’n toon erbij. “Madam heeft haar eigen leven.” Eén keer per paar maanden kwam die langs met bloemen van Aveve of zo, en dan was ze weer weg. Dus ja, in mijn hoofd was zij de slechte dochter. Simpel.
Tot die dinsdag.
Marie had mij om 7u20 al drie keer gebeld. Ik was juist de boterhamdozen aan het maken. “Ik heb pijn op mijn borst,” zei ze. Ik alles laten vallen, Tom zuchtend, kinderen stress. Ik naar daar. Bleek dat ze vooral in paniek was omdat de thuisverpleging een ander uur had gezegd en zij dacht dat ze “in de steek gelaten” was. Ik heb haar gekalmeerd, de verpleegkundige van het Wit-Gele Kruis gebeld, koffie gezet, en dan was ik te laat op mijn werk.
Mijn chef zei dat het zo niet verder kon. Begrijpelijk ook.
Die namiddag stond Sabine daar opeens. Met papieren. En een houding, amai.
“Wij moeten eens praten,” zei ze.
Ik dacht: eindelijk.
Maar het ging direct mis. Ze zei dat haar moeder te afhankelijk van mij geworden was. Dat ik overal tussen zat. Dat professionele hulp werd geweerd omdat Marie wist dat “Jana het wel zou doen”. Ik ontplofte. Ik begon over kerstmissen waar ze nooit was, over doktersafspraken, over het feit dat ík haar moeder van de vloer heb geraapt na een val in de badkamer.
En dan zei Sabine ineens: “Ge weet precies niet wat er echt speelt.”
Ik lachte nog. Zo’n kort, vuil lachje. “Verlicht mij eens.”
Ze legde papieren op tafel. Aanvraag woonzorgcentrum. Contact met maatschappelijk werk van het OCMW. Mailverkeer met de huisarts. Zelfs inschrijving voor gezinszorg via Familiehulp. Alles van de voorbije acht maanden.
“Ik probeer al maanden dingen te regelen,” zei ze. “Maar mijn moeder zegt telkens dat het niet nodig is, want Jana doet het. En als ik aandring, dreigt ze dat ze mij uit haar testament zal schrappen.”
Ik zei niks meer.
Sabine keek kapot, echt waar. Niet arrogant. Gewoon moe. “En ja, ik woon niet om de hoek. Omdat ik voor mijn zoon met autisme al jaren alles combineer. Omdat ik gescheiden ben. Omdat ik ook maar één lijf heb.”
Dat had Marie mij dus nooit verteld.
Ik draaide mij naar Marie. “Is dat waar?”
Zij begon direct: “Ze wil mij wegsteken. Gij ook nu zeker?”
En dan kwam het ergste. Sabine zei: “Mama, stop. Zeg tenminste ook dat ge Jana geld hebt proberen geven om mij niks te zeggen.”
Mijn maag draaide om. Want ja. Marie had mij soms “voor de onkosten” vijftig euro in mijn jaszak gestoken. Ik had dat meestal teruggelegd of gebruikt voor haar boodschappen, maar niet altijd letterlijk. En ineens voelde dat vuil, alsof ik ergens in iets was meegezogen zonder het te willen zien.
Marie werd kwaad. “Iedereen laat mij vallen! Gij ook, Jana. Na alles.”
Na alles. Alsof ík iets verschuldigd was.
Ik ben toen voor het eerst hard geweest. Echt hard. Ik zei: “Marie, ik ga u blijven helpen als buurvrouw. Niet meer als dochter, verpleegster, chauffeur, computerhulp, crisislijn en pispaal tegelijk.”
Ze noemde mij ondankbaar. Sabine begon te wenen. Ik ook bijna, maar ik was vooral op.
De weken daarna waren verschrikkelijk. Marie belde constant. Eerst nam ik nog op, dan minder. Ik heb samen met Sabine en de huisarts gezeten. Er is gezinszorg opgestart, maaltijden aan huis, poetshulp terug in orde, personenalarm, en uiteindelijk is er een plaats gevraagd in een assistentiewoning. Marie was furieus op mij. Dagenlang keek ze niet als ik haar op de gang tegenkwam.
Thuis was het ook niet direct opgelost. Tom zei wel: “Eindelijk.” Maar mijn kinderen waren precies nog aan het afwachten of ik nu écht meer thuis ging zijn. Dat deed pijn. Ge denkt dat ge goed bezig zijt, en intussen hebt ge uw eigen mensen half laten staan.
Vorige week heeft Marie voor het eerst terug normaal tegen mij gedaan. Ze zei: “Ik mis u.” Niet eens verwijtend. Gewoon klein. Ik zei: “Ik woon nog altijd naast u, hé. Maar ik kan niet meer alles dragen.” Ze knikte, maar ik weet niet of ze het echt aanvaardt.
Ik zit daar nu nog mee. Want ik begrijp haar angst ook. Oud worden, afhankelijk worden, niet weg willen uit uw eigen flat… dat is verschrikkelijk. En Sabine was ook niet de boeman die ik ervan gemaakt had. Maar ik ben wel te ver gegaan. Ik heb mij laten gebruiken, al was dat misschien meer uit wanhoop dan uit slechtheid.
Ik probeer nu mijn eigen gezin terug op de eerste plaats te zetten en eerlijk, ik ben kapot dat ik dat eerst bijna moest verliezen om het te snappen. Wat zoudt gij gedaan hebben in mijn plaats?