“Ge zit hier precies gewoon nog om op de kindjes te passen,” zei mijn dochter… en ik wist niet of ik moest blijven of mijn valies pakken
“Mama, ge moet nu echt niet doen alsof gij hier de dupe zijt.” Dat zei mijn dochter Anke tegen mij in haar keuken in Mechelen, terwijl de kinderen boven ruzie maakten over een tablet en de spaghetti op het vuur stond over te koken. Ik stond daar met haar vaatdoek nog in mijn handen en ik voelde gewoon mijn gezicht warm worden.
“De dupe?” zei ik. “Anke, ik ben mijn eigen appartement in Vilvoorde uit gegaan om u uit de nood te helpen. Ik betaal hier zelfs mee voor de elektriciteit. Ik haal Lowie van school, ik breng Noor naar de ballet in de parochiezaal, ik kook, ik was… Wat bedoelt gij zelfs?”
Ze draaide zich om en zuchtte zo diep dat ik direct kwaad werd. “Gij doet alsof wij zonder u niks kunnen. Dat is het probleem. Ge neemt alles over. Zelfs tegen de kinderen zegt ge soms eerst iets voor ik de kans krijg. Ge zijt hier niet de derde ouder.”
Dat kwam binnen. Hard. Want ja, ik ben 58, pas gescheiden na 31 jaar met Luc, en nee, ik was niet van plan om “de derde ouder” te spelen. Maar toen Anke mij in november belde, helemaal op, met: “Mama, ik trek het niet meer met de shiften van Jens en mijn uren in het UZ. Als gij niet even helpt, crasht heel het kot,” wat moest ik doen? Zeggen: trek uw plan?
Dus ik had mijn appartement onderverhuurd aan een kennis van mijn nicht, niet ideaal maar kom, en ik ben naar haar rijhuis verhuisd. “Tijdelijk,” hadden we gezegd. Drie maanden. Dat zijn er nu negen geworden.
In het begin was ik blij dat ik nodig was. Dat ga ik eerlijk zeggen. Na die scheiding voelde ik mij precies door iedereen ingehaald. Luc had bijna direct iemand anders. Mijn zoon Seppe woont in Gent en belt als hij in de auto zit, zo van die snelle gesprekjes. En bij Anke thuis was ik ineens weer iemand. Oma die alles wist. Oma die er was. Dat deed deugd, ja.
Maar stilletjes is dat veranderd. Eerst was het: “Mama, ge moet echt niks betalen.” Dan werd het: “Als ge toch naar de Colruyt gaat, pakt ge dat mee?” En later: “Kunt ge misschien deze maand ook een stuk van de gas voorschieten? Jens zijn firmawagen is binnen voor kosten en we zitten krap.” Altijd tijdelijk. Altijd even.
Ik zei niet veel. Ik wou geen last zijn. Dat is misschien dom.
Vorige week vrijdag kwam de klap. Ik was vroeger thuis van de apotheek omdat mijn voorschrift nog niet klaar lag. Ik kwam binnen via de achterdeur en in de living zat Anke met haar vriendin Eline. Ze hadden mij niet gehoord.
Eline vroeg: “En hoe lang blijft uw mama nog?”
Anke lachte niet. Ze klonk moe. “Geen idee. Ze zegt altijd dat het tijdelijk is, maar eerlijk? Soms denk ik dat ze nergens anders naartoe wil. Hier heeft ze tenminste een functie.”
Ik bleef stokstijf staan.
Eline zei nog: “Ja maar ge moogt uw eigen huis toch niet kwijtspelen daardoor. Straks geraakt ge haar nooit meer buiten.”
En dan Anke, stiller: “Ik weet het. Maar langs de andere kant… zonder haar moeten wij opvang betalen die we niet hebben. Dus ja. Ik laat het maar lopen.”
Dat zinnetje heeft mij echt kapotgemaakt. Niet eens omdat het gemeen was. Maar omdat het misschien waar was.
Die avond heb ik niks gezegd. Ik heb gewoon de kindjes in bad gestoken en verhalen gelezen alsof mijn borst niet dichtkneep. Zaterdagmorgen heb ik het toch op tafel gegooid. Dat was dat gesprek in de keuken.
Anke begon eerst defensief te doen. “Iedereen zegt al maanden dat dit niet gezond is.” Ik zei: “Wie is iedereen?” Blijkt dus: Jens ook. Natuurlijk Jens ook. Die man zegt bijna niks rechtstreeks tegen mij, maar blijkbaar had hij tegen haar gezegd dat hij zich “gast in zijn eigen huis” voelde. Amai, bedankt.
Maar toen kwam er nog iets dat ik niet wist.
Anke begon te wenen. Echt wenen, niet dat boze gezaag van ervoor. Ze zei: “Mama, ge denkt dat ik u gebruik. En ja, misschien doe ik dat ook. Maar ge ziet ook niet wat ge hier doet. Ge corrigeert Jens waar de kinderen bij zijn. Ge zegt dingen als: ‘Bij ons vroeger zou dat niet gepakt hebben.’ Ge vraagt elke week of ik wel genoeg thuis ben voor de kinderen. Ge bedoelt dat bezorgd, ik weet dat, maar ik voel mij constant een slechte moeder in mijn eigen huis.”
Dat had ik zo niet gezien. Of misschien een beetje, maar ik vond dat overdreven. Tot Jens zelf binnenkwam. Slechte timing, want hij hoorde genoeg om te weten waarover het ging.
Hij zette zijn sportzak neer en zei: “Ik ga hier niet rond draaien. Ik ben u dankbaar, Martine. Echt. Zonder u waren we in de miserie geraakt. Maar ge zijt hier binnengekomen op een moment dat wij als koppel al slecht draaiden. En sindsdien verschuilen wij ons allebei achter u. Anke pakt extra shiften omdat gij er zijt. Ik pak late uren omdat er thuis toch iemand is. En ondertussen doen wij niet meer wat wij zelf moeten doen.”
Dat vond ik schoon gemakkelijk van hem, eerlijk gezegd. Alsof ik hun huwelijk aan het kapotmaken was. Ik zei dat ook. Toen werd het stil.
En toen zei Anke iets waar ik nog altijd niet goed van ben.
“Nee mama. Ons huwelijk draaide al slecht sinds Jens zijn schulden zijn uitgekomen.”
Ik wist van niks.
Blijkbaar had Jens vorig jaar, nog voor ik daar kwam wonen, twee persoonlijke leningen lopen en een hoop achterstallige betalingen. Niet gokken, niet een affaire, niks sensationeels. Gewoon stomme beslissingen, lease van materiaal voor een zelfstandige bijberoep dat mislukt is, kredietkaart opengetrokken, brieven genegeerd. Anke had dat ontdekt toen er een aangetekende brief van een deurwaarder kwam. Sindsdien was er constant stress over geld. Mijn aanwezigheid was niet de oorzaak, maar wel een pleister. Gratis opvang, extra geld in huis, iemand die alles draaiende houdt zodat zij niet moesten kijken naar wat er echt mis zat.
Ik ben gaan zitten. Echt, mijn benen konden mij niet meer dragen.
Ik voelde mij ineens tegelijk misbruikt én schuldig. Want ja, ze hadden mij nodig om financiële redenen. Maar ook: ik had misschien té graag de rol gepakt van onmisbaar te zijn. Omdat ik na mijn scheiding niks meer had dat van mij voelde. Dat is pijnlijk om toe te geven.
Zondag ben ik naar mijn zus in Aalst gereden. Ik heb daar twee uur aan haar keukentafel gezeten met koffie en veel te droge cake. Zij zei gewoon: “Ge hebt geholpen. Dat is schoon. Maar als ge blijft op een manier waar ge uzelf verliest, dan is dat geen helpen meer. Dan zijt ge uzelf aan het opeten.” Hard, maar ja.
Nu is het plan dat ik tegen eind volgende maand wegga. Alleen: mijn appartement krijg ik niet direct terug, want die onderhuur was half in ’t zwart geregeld en die vrouw doet nu moeilijk. Dus ja, ik zit nog altijd daar, in de logeerkamer tussen de speelgoedbakken, terwijl iedereen vriendelijk probeert te doen. De kinderen voelen natuurlijk ook dat er iets scheelt. Noor vroeg gisteren: “Oma, zijt gij stout geweest?” Daar breekt ge toch van.
Anke heeft zich intussen verontschuldigd voor wat ze tegen Eline zei. Ik heb mij ook verontschuldigd voor de manier waarop ik mij soms moeide. We hebben allebei gelijk en allebei ongelijk, denk ik. Dat is misschien nog het lastigste. Er is geen slechterik om kwaad op te blijven.
Maar ik blijf met één ding zitten: als ge zo lang geeft, zwijgt, inschikt, blijft komen opdraven… wanneer helpt ge dan nog uit liefde, en wanneer zijt ge gewoon uzelf aan het weggeven omdat ge bang zijt om nergens meer nodig te zijn?
Wat zouden jullie doen in mijn plaats: nu direct vertrekken, ook al laat ik hen dan in de miserie zitten, of nog even blijven tot ik iets anders heb en riskeren dat ik weer over mijn eigen grens ga?