Verloren Zekerheid: Een Verhaal van Jeroen Deckers

‘Zijt ge zeker dat ge nergens anders naartoe moet?’ vraagt mijn moeder, haar stem scherp terwijl ze de koffie inschenkt. Haar blik glijdt kort naar mijn versleten jas, een onuitgesproken verwijt in haar ogen. Vanavond is het gezellig aan tafel bij haar in Zwijnaarde, maar de spanning laait hoger dan de vlam onder het fornuis. ‘Jeroen, ik wil gewoon niet dat die mensen in het dorp weer gaan babbelen.’

Ik bijt op mijn lip, kijk naar het vergeelde behang. Die mensen, altijd die mensen. Sinds mijn terugkeer uit de gevangenis — ‘voorwaardelijk vrij’, noemen ze het zo mooi — ben ik niet langer gewoon Jeroen. Iedereen in de straat doet alsof ze mij niet meer zien. Tien jaar geleden maakte ik één domme jeugdfout, en nog altijd moet ik het bezuren.

‘Ma, ik blijf maar even. Ik zie Evelien straks nog,’ probeer ik, maar haar gezicht vertrekt. ‘Die brave dochter van de apotheker? Weet zij wat ge gedaan hebt?’ Haar stem stijgt en ik wil mijn hoofd in mijn handen begraven.

‘Nee, ma. En ik wil niet dat ge u daarmee moeit,’ bijt ik terug. ‘Ik ben meer dan die fout van vroeger.’

Het ruikt naar gebakken ajuin en rook. Mijn maag draait. Ik hoor mijn kleine zus, Lore, boven haar kamer uit een TikTok meebrullen. Alles is zo gewoon geworden in dit huis, behalve ik – ik pas niet meer.

Buiten is het donker. Ik steek mijn jas dicht, ondanks het broeierig is. ‘Als ge ooit wilt dat mensen u aanvaarden, moet ge eerlijk zijn, Jeroen,’ zucht mijn moeder door de keuken. Maar ik denk: hoe kan ik verwachten dat iemand in deze stad, in heel Vlaanderen misschien, ooit het onderscheid zal maken tussen mijn verleden en mijn nu?

Mijn gedachten ratelen als tram 4 langs de Korenmarkt. Als kind voelde ik me thuis hier. Maar nu voel ik elk oordeel in de blik van de bakker, in het zwijgen van neef Guy die straal voorbij fietst. Als ik mensen aankijk, zie ik alleen mijn oude fouten weerspiegeld.

Die avond, als Evelien aanklopt aan mijn klein huurappartement in de Sleepstraat, voel ik de drang alles te vertellen. Ze lacht breed — haar haar ruikt naar munt, haar ogen twinkelen van de les kinesitherapie die ze net gaf. ‘Kom, Jeroen, we bestellen frietjes bij De Frietketel. Alles op de zak, gij trakteert!’

We zitten samen op mijn smalle bank. Ze pakt mijn hand vast, streelt met haar duim over mijn knokkels.

‘Jeroen, ge zijt altijd zo stil, zo gesloten. Wat houdt u tegen?’ vraagt ze. Mijn keel is droog.

Moet ik haar alles zeggen? Mijn tijd in den bak, de familieruzies, hoe ik mijn werk verloor na de roddels bij Volvo?

Maar dan glimlacht Evelien. ‘Ik weet niet alles van u, maar ge zijt zorgzaam en hardwerkend. Misschien moet ge wat meer op uzelf vertrouwen.’

De woorden blijven hangen, maar ze geven me geen rust. De dagen erna sta ik bij de bakker, in een rij vol gefluister. Een oude schoolvriendin, Marieke, slaat haar ogen neer. De bakker zelf knikt kort, giechelt als ze denkt dat ik het niet merk. ‘Ze zeggen dat hij was opgepakt wegens die… diefstal van vroeger, hé?’

Thuis vind ik geen rust. Ma blijft bellen, herinnert me eraan dat ‘ge altijd moet oppassen wie ge binnenlaat in uw leven’. Paniek kruipt omhoog. Ben ik gek aan het worden omdat ik blijf denken dat iederéén reden heeft mij te mijden?

Ruzies barsten los met mijn pa — hij noemt me laf. ‘Echte mannen staan voor hun daden,’ briest hij. ‘Niet wegsteken, niet blijven zwijgen.’

Maar het zijn niet de mannen als mijn pa die het meeste pijn doen — het zijn mijn eigen gedachten. Hoe kan Evelien ooit van me houden als ik haar straks mijn donkerste kanten toon? Toch blijft ze komen. Ze haalt me op voor wandelingen langs de Leie, schuift me plakjes geitenkaas toe op de boerenmarkt, kijkt dwars door mijn façade heen.

Tot die zaterdag dat Evelien, zonder waarschuwing, in de keuken bij mijn moeder verschijnt. Ik kom toevallig binnen, net als mama haar grote zucht slaakt. ‘Weet gij eigenlijk wie mijn zoon is, meid?’

Evelien kijkt haar aan, glimlacht rustig. ‘Dat weet ik. Jeroen is vriend van mij. Iemand die verder wil met zijn leven. En ik weet dat ge bang zijt om opnieuw gekwetst te worden. Maar ik ben zelf wel in staat om te beslissen wie ik graag zie.’

De stilte is oorverdovend. Mijn moeder’s gezicht is verstijfd, ik voel mijn hart bonken tot in mijn keel. Ma zet zich neer. ‘Hij gaat altijd blijven opvallen, Evelien. Die mensen in de buurt laten niet los. Uw familie zal het u kwalijk nemen. Mijn zoon is niet wie hij vroeger was, maar dat wilt niet zeggen dat de rest hem aanvaardt zoals hij nu is.’

Evelien draait zich naar mij, haar blik recht. ‘Wilt ge dat ik van u wegwandel, Jeroen? Omdat ge denkt dat ge niet goed genoeg zijt?’

Mijn schild breekt open. ‘Ik wil alleen niet dat gij mij zijt beginnen graag zien omdat ge niet wist wie ik echt ben. Dit dorp, deze mensen, ze geven mij altijd het gevoel dat ik een indringer ben. Alsof wat ik fout heb gedaan alles overschaduwt wat ik probeer te zijn. Zij zien mijn littekens als open wonden.’

Evelien neemt mijn hand, steviger nu. ‘Iedereen heeft zijn littekens. Maar misschien moeten we eens denken aan wie we vandaag zijn, Jeroen. Ge maakt iedere dag keuzes. Ge zijt niet gemaakt om uw straf voor altijd te blijven dienen.’

Een maand later, bij een familiefeestje van Evelien in Ronse, voel ik het ijskoud neerkomen. Haar vader, een succesvolle tandarts, schudt enkel mijn hand uit beleefdheid. Haar moeder glimlacht geforceerd, stelt passief-agressieve vragen over mijn werk (nieuw: vakkenvuller bij Colruyt). Een neef vleit zich naast mij, begint plots te praten over ‘de stijging van criminaliteit in steden als Gent’. Alles is een test. Alles voelt als een oordeel.

’s Nachts staar ik in het donker. Evelien draait zich naar me toe. ‘Jeroen, als ge niks zegt, laat ge hen allemaal winnen. Ge geeft die roddels kracht.’

Mijn hoofd bonkt. Is het eerlijker om alles uit te spuwen, direct, ongefilterd? Of mag ik ook een bladzijde omslaan en herbeginnen met wie mij nu recht in de ogen kijkt?

Na een discussie met haar ouders besluit ik zelf open kaart te spelen, op een koude zondagochtend. ‘Ik heb foute keuzes gemaakt, meneer en mevrouw Vermeulen. En ja, ik heb mijn straf uitgezeten. Maar ik ben meer dan dat. Evelien ziet dat, en ik hoop dat u dat ooit ook zult zien.’

Eveliens moeder knikt, niet overtuigd, maar minder vijandig. Haar vader kijkt me streng aan maar zegt: ‘Iedereen verdient een tweede kans. Maar het hangt van u af of ge bewijst dat ge veranderd zijt.’

De weken sluipen verder. In het dorp verdwijn ik niet meer direct achter het gordijn bij elk gefluister. Evelien blijft. Lore nodigt me uit voor haar schooltoneel, voor het eerst in jaren. Zelfs pa slaat mij op de schouder en zucht: ‘Goed gedaan, zoon. Al was het niet makkelijk.’

En toch: elke keer ik langs het standbeeld op Sint-Baafsplein loop, denk ik aan hoe snel mensen oordelen. Hoe hard we allemaal verlangen naar aanvaarding, terwijl we de ander vaak enkel beoordelen op z’n fouten, of schijnbare gebreken.

Ben ik nog steeds bang beoordeeld en afgewezen te worden? Elke dag. Maar misschien hoeft dat niet het einde van mijn verhaal te zijn. Denk jij dat iemand verplicht is zijn hele verleden bloot te leggen om liefde te verdienen? Of mag je soms gewoon eerst je nieuwe zelf tonen — in de hoop dat mensen ooit het verschil zullen zien tussen wie je was en wie je geworden bent?