‘Ge zijt precies niet meer nodig…’ zei ik tegen Eszter aan haar keukentafel, en ineens stond alles op springen

‘Ge zijt toch ook altijd met uzelf bezig, hè.’

Dat was letterlijk wat Eszter zei, terwijl ik nog mijn jas aanhad in haar gang in Borgerhout. Haar baby zat in zo’n wipstoeltje in de living te kirren, precies alsof er niks aan de hand was. En ik stond daar… met mijn keel toe.

‘Amai, merci,’ zei ik. ‘Ik kom hier na drie weken nog eens langs en ’t eerste dat ge doet is mij een schuldgevoel aansmeren.’

Eszter trok zo’n gezicht van “ik kan dit er niet bij hebben”. Haar haar in een slordige dot, wallen tot hier. Ze had nog melk op haar T-shirt, ik zweer het. En toch, ik voelde mij ineens klein, overbodig. Alsof ik een oude vriendin was waar ge geen plaats meer voor hebt.

‘Ge snapt het niet, Lotte,’ zei ze. ‘Ge zegt altijd dat ge mij mist, maar ge zijt er nooit. En als ge er zijt, is het precies… ge verwacht dat ik dezelfde ben.’

Ik ben Lotte, 33, ik werk op de administratie van een woonmaatschappij in Antwerpen. Gewoon een gewone job. Ik woon alleen in Deurne, huurappartement, veel te duur voor wat het is, maar bon. Eszter en ik… wij waren al jaren een duo. Terrasjes op de Dageraadplaats, samen naar de Zoo, pintjes na ’t werk, klagen over mannen, over huurprijzen, over alles. Zij was mijn mens.

En dan was ze ineens zwanger. Niet “eens zien hoe dat gaat”, nee, direct alles erop en eraan. Haar vriend Bálint (ja, ook zo’n naam, maar hij werkt hier al jaren bij een IT-firma in Zaventem) wou “nu een gezin”. En Eszter… die ging daarin mee. Ik heb haar nog gevraagd: ‘Zijt ge zeker? Ge hebt nog maar net uw vaste contract in het UZA, ge zijt nog aan ’t zoeken.’

Ze lachte dat weg. ‘Het komt goed. Ge zult zien.’

En ja. De baby kwam. En toen kwam er… stilte. Niet ineens volledig weg, maar zo. Trager antwoorden. Altijd “druk”. Altijd “moe”. En ik probeerde echt. Ik stuurde berichtjes. Ik stelde voor om eten mee te brengen. Ik zei: ‘Zeg het gewoon als ge mij nodig hebt.’

Maar het voelde alsof ik altijd op de verkeerde moment bestond.

Gisteren had ik haar gebeld en gezegd: ‘Ik kom langs. Punt.’ Ik had zelfs bij de Delhaize zo’n grote lasagne gehaald, en een zak vol pampers (maat 2, hopelijk juist) omdat ik mij schuldig voelde dat ik geen kraamcadeau had gedaan buiten een knuffel van DreamLand.

En dan kom ik binnen en krijg ik dat: “altijd met uzelf bezig”.

‘Es, zeg dat nog eens,’ zei ik. ‘Want ik hoor dat precies niet graag.’

Ze zuchtte en ging aan tafel zitten. ‘Ik heb drie nachten amper geslapen. Bálint is altijd weg. Mijn mama doet alsof ik het verkeerd doe. En gij… gij komt binnen en ge kijkt naar mij alsof ik u iets afpak.’

Ik wilde meteen zeggen “ja, dat doet ge ook”, maar ik slikte het in.

‘Ik kijk naar u alsof ik u mis,’ zei ik. ‘En alsof ge mij niét mist. Da’s het.’

Er viel zo’n stilte waarin ge de baby’s ademhaling hoort en de frigo aanslaan.

‘Ge zijt jaloers,’ zei ze zacht.

‘Jaloers?’ Ik schoot in de lach, maar het kwam slecht uit. ‘Op wat? Op pampers en slaaptekort?’

‘Op… dat ik iemand anders nodig heb dan u,’ zei ze. ‘Op dat ik… eindelijk iets heb dat van mij is.’

En dat stak. Want ik wou direct terugsteken: “eindelijk iets van u?” Alsof onze vriendschap niks was. Maar tegelijk dacht ik: ze klinkt echt kapot.

Ik zei: ‘Es, ik ben niet jaloers op uw kind. Ik ben verdrietig dat ik u kwijt ben. En ja, misschien voelt dat soms als… ge hebt een nieuw leven en ik sta daar met mijn huur en mijn job en mijn vrijdagavond alleen. Maar ik gun u dat. Echt.’

Ze keek weg. En toen zei ze iets dat ik niet had zien komen.

‘Ik heb u iets niet verteld,’ zei ze. Haar stem trilde. ‘Ik wou niet dat ge mij anders zoudt bekijken.’

Ik voelde mijn maag draaien. ‘Wat nu weer?’

Ze pakte haar gsm en schoof die naar mij. Een bericht van Bálint. Ik ga niet alles letterlijk typen, maar het kwam neer op: hij was “nog even” bij een collega, en ze moest “niet zagen” want hij had “ook stress”.

‘Da’s toch gewoon een excuus,’ zei ik. ‘Die zit op café.’

‘Nee,’ zei ze. ‘Ik ben naar die collega gereden. Twee weken geleden. Ik stond daar voor de deur in Evere. Met de baby in de Maxi-Cosi. En hij… hij kwam buiten met haar. Met een vrouw.’

Mijn mond viel open. ‘Amai.’

‘En het ergste?’ Eszter haar ogen stonden vol tranen, maar ze hield zich precies vast aan kwaadheid. ‘Hij zei dat ik niet moest doen alsof ik verrast was. Dat hij al maanden zegt dat hij zich opgesloten voelt. En dat ik “alleen nog mama ben”.’

Ik zat daar. En ik voelde ineens schaamte, omdat ik al die tijd dacht dat zij mij aan het vervangen was door haar perfecte gezinsleven. Terwijl haar “gezinsleven” precies aan het afbrokkelen was en ze mij gewoon niet binnenliet.

‘Waarom hebt ge dat niet gezegd?’ vroeg ik.

‘Omdat ge mij altijd zo hard hebt zien kiezen voor dat kindje,’ zei ze. ‘En ik wou niet dat ge zou denken: zie je wel, ik had gelijk. Of dat ge blij zoudt zijn dat ik terug alleen zou zijn.’

Ik schrok van die zin. Want… heel eerlijk? Er zat iets in mij dat wél dacht: als ze terug alleen is, heb ik haar terug. En dat is lelijk. Maar ’t is er wel.

‘Ik ben niet blij dat ge pijn hebt,’ zei ik snel. ‘Maar ja… ik heb u gemist, Es.’

Ze begon te wenen, zo van die stille tranen. ‘Ik ben zo moe, Lotte. En ik durf niet weggaan bij hem, want… hoe moet dat financieel? Mijn ouders in Gent zeggen: “gij hebt gekozen, nu moet ge het trekken.” En ik ben nog maar halftijds terug aan ’t werk. Mijn crèche is al een gedoe. Alles is een gedoe.’

Ik voelde mij ineens kwaad, maar niet alleen op Bálint. Ook op haar. Op hoe ze mij wegduwde, hoe ze deed alsof ik egoïstisch was, terwijl ze eigenlijk bang was om toe te geven dat het misliep.

‘Maar ge hebt mij wel laten voelen alsof ík het probleem was,’ zei ik. ‘Alsof ik u lastigviel omdat ik u mis.’

‘Ik weet het,’ zei ze. ‘Ik was kwaad op iedereen. En op u is dat gemakkelijk, want gij… gij blijft. Ge zijt altijd gebleven.’

En daar zat het. Ik ben “veilig”. Ik ben de vriendin die ge kunt afblaffen en die toch terugkomt. En dat is ook niet gezond.

Ik stond recht en deed de lasagne in haar frigo. ‘Luister,’ zei ik. ‘Ik ga u niet zeggen wat ge moet doen met Bálint. Maar ge moogt mij niet gebruiken als boksbal omdat ge het daar niet kunt uitpraten. Dat gaat niet meer.’

Ze knikte, alsof ze dat al wist.

‘En toch,’ zei ik zachter, ‘ik wil er wel zijn. Als ge mij binnenlaat. Eerlijk. Niet zo van die halve berichtjes en doen alsof alles oké is.’

‘Ik schaam mij,’ zei ze. ‘Ik wou zo graag dat het klopte.’

‘Ja,’ zei ik. ‘Ik ook.’

Toen de baby begon te wenen, sprong Eszter recht. Automatisch. En ik zag dat: hoe haar hele lijf direct “mama” werd. Dat is niet gespeeld. Dat is echt. En ineens voelde ik mij weer die tweede persoon in de kamer. Maar deze keer snapte ik beter waarom.

Ik ben na een uur vertrokken. Buiten, aan de Turnhoutsebaan, stond ik te wachten op tram 9 en ik voelde mij zo dubbel: opgelucht omdat ik wist wat er speelde, maar ook leeg omdat ik besefte dat onze vriendschap nooit meer terug “simpel” gaat zijn. En ik haat dat ik ergens dacht: nu ze problemen heeft met hem, ben ik terug belangrijk.

Ik wil geen vriendin zijn die alleen blijft als het misgaat. Maar ik wil ook niet diegene zijn die moet zwijgen over haar eigen gemis omdat zij moeder is en ik “geen recht van spreken” heb.

Dus ja… ik weet het niet. Moet ik harder grenzen zetten en wat afstand nemen, of net meer tonen dat ik er ben, ook al voelt dat soms alsof ik op de tweede rij sta? Wat zoudt gij doen als ge in mijn plaats waart?