Liefde die ik nooit kon krijgen

‘Waarom lach jij zo luid om háár mopjes, Pieter? Geef toe, jij kijkt haar anders aan…’ Mijn stem klinkt schor van de slapeloze nachten en ik hoor mezelf bijna niet boven het schelle lachen van Sofie buiten. Hij wuift het weg, glimlacht – die glimlach die altijd bij míj hoorde – en geeft geen antwoord. Nog geen uur geleden stond hij met haar te babbelen aan haar auto, terwijl ze haar handen druk zwaaide en hij op haar elk woord leek te kauwen.

In de keuken ruikt alles nog naar oude soep van gisteren. Ik leun tegen de ijskast, probeer mijn rijkelijk gevulde adem in te houden, voel hoe de bitterheid me opslorpt. Pieter komt binnen, zijn stem lichtjes opgewekt: ‘Heb je nog brood voor straks?’ Mijn antwoord is kort, te kort misschien, maar hij lijkt het niet te horen. Hij pakt zijn jas, ploft in de zetel en pakt zijn gsm.

‘Heb je het koud?’ vraag ik, op zoek naar een opening, een beetje menselijkheid. Dan, zonder hem aan te kijken: ‘Of ga je weer naar de tuin, misschien… bij Sofie?’ Mijn eigen schim lijkt naast me te hangen, vol onzekerheid. Hij haalt zijn schouders op. ‘O, weer die jaloezie. Het is niks, echt.’ Maar in zijn blik zie ik iets nieuws, iets dat zacht gloeit en niet bestemd is voor mij.

Die avond, wanneer Pieter al lang slaapt, blijf ik piekeren. Ik hoor stemmen in mijn hoofd: mijn moeder die zei dat de liefde hard werken is, mijn zus Lotte die fluisterde dat ze nooit een man zou vertrouwen. In het duister, in ons huis in een doorsnee Vlaamse gemeente – tussen knikkerende kinderen en roepend verkeer – voel ik hoe één kleine beweging in de verkeerde richting een heel gezin kan doen breken.

‘Mamma, waarom ben je altijd boos als Sofie passeert?’ vraagt Liesbeth, onze dochter van zeven, terwijl ze haar tekeningen laat zien. Ik knik zwijgend en teken een rondje op het papier. ‘Omdat mamma haar kop niet kan uitstaan soms,’ piep ik, meer tegen mezelf dan tegen haar. Liesbeth kijkt op, haar blik snapt allang meer dan ze zegt.

Op een vrijdagavond nodigen Sofie en haar man Bram ons uit voor een barbecue. Het gebeurt zelden, zo’n sociale avond met de buurt. Ik dwing mezelf vriendelijk te zijn, stel ongemakkelijke vragen over haar nieuwe job bij het OCMW en over Bram zijn wielerhobby. Ondertussen houd ik Pieter scherp in het oog, hoe ze elkaars glas vullen, hoe hun knieën elkaar net niet raken onder de tuintafel vol smeulende kaarsen.

De avond wordt killer wanneer Bram plots opstaat en Sofie vraagt: ‘Moet ik je jas brengen, Pieter?’ Mijn hart slaat over. ‘Nee hoor, het is prima zo,’ zegt hij, maar haar blik blijft haken aan de zijne. Ik voel bloed razen in mijn hoofd, het geluid van lachende buren, de geur van gebrande saté.

Op latere avonden zoeken we elkaar op in bed, maar alles is stroef, moeizaam en zonder warmte. Hij draait zich weg met zijn rug naar mij toe. Soms ruik ik een geur op zijn kleren – een parfum dat niet het mijne is – en ik vraag hem ernaar. Steeds weer hetzelfde ontwijkende antwoord: ‘Je verbeeldt je dingen, echt waar, schatteke.’

Het is een maand later als ik Sofie op de markt tegenkom. Ze staat bij de bloemenkraam, haar haar opgestoken, net als vroeger bij de scouts, zegt ze. ‘Mooie rozen, hé?’ lacht ze. Ik voel een brok in mijn keel. ‘Vind je Pieter ook zo’n toffe gast?’ Ze lijkt te schrikken, kijkt me even aan, dan lacht ze: ‘Maar nee zeg, gij weet toch… Bram en ik…’ Ik slik, draai me om en loop weg met veel te kleine stappen voor al mijn woede.

’s Avonds thuis. Het huis ruikt nu naar verse soep, maar de kilte tussen de muren is snijdender dan ooit. Ik gooi de lepels in de lade, veel te luid. Pieter kijkt op. ‘Moet dat zo, Jadot?’ Dat was mijn meisjesnaam – hij zegt ze alleen als hij kwaad is, of als het hem niets meer kan schelen. ‘Misschien is het tijd dat wij eens praten. Eerlijk, Pieter. Jij en Sofie… wat ís dit?’ Het is de eerste keer dat ik het zo expliciet maak.

Hij zwijgt lang. Zijn ogen zoeken een uitweg, overal behalve bij mij. Dan mompelt hij: ‘Ze begrijpt mij gewoon… soms, denk ik. Het is fijn als iemand naar je luistert.’

De volgende dagen zijn ijzig. Thuis zijn we als vreemden, op automatische piloot. Eén keer probeert hij koffie voor me te zetten (‘zoals vroeger’), maar mijn handen trillen te erg om nog iets vast te houden. De kinderen voelen het ook. Liesbeth is stiller, kleine Thomas vraagt steeds vaker om bij zijn vriendje te mogen slapen.

Mijn moeder belt, het is een maandag. ‘Schatje, ge moet niet alles zelf willen doen,’ zegt ze. Maar wat kan ik anders? Hier in deze Vlaamse wijk, tussen mensen die alles weten en tegelijk niets, moet ik mijn gezicht blijven ophouden. Ik denk aan de oude vijver achter onze tuin, vol met padden en bladeren in de herfst; hoe alles doods lijkt, maar diep onder het groene water nieuwe leven kiemt. Zou liefde ook zo kunnen zijn?

Drie weken later zit ik in de auto, wachtend bij de bakker. In de spiegel zie ik onze straat, het huis van Sofie, de kinderen die op hun fietsen rijden, hun lachen draagt ver. Ik huil zachtjes, niet groots en meeslepend als in een film, maar zo stil en wrang als wolken op een miezerige novemberdag. De kassierster kijkt op als ik bijna zonder brood vertrek. ‘Kop omhoog, mevrouw’, zegt ze. ‘Het zal beteren. Het betert altijd.’

Ik kom thuis, vind Pieter in de gang, hij kijkt schrikachtig. ‘Het is niet wat je denkt,’ zegt hij. Ik lach bittere tranen: ‘Maar wat is het dan wél?’ Hij weet het niet. Ik weet het ook niet meer. ‘Misschien… zijn we gewoon verloren gelopen,’ zeg ik dan.

Aan het grote raam, in het schemerlicht, voel ik mijn wanhoop gloeien. Mijn liefde brandt fel, maar niet voor hem, niet meer. Of misschien: niet langer alleen voor hem. De liefde die ik wilde was nooit de mijne en toch probeerde ik haar met alle macht vasthouden.

Denk ik te veel, voel ik te diep? Of is dit gewoon het gewone, lelijke leventje zoals het meestal gaat? Wat zou jij doen als je blijft hopen op iets wat nooit van jou kon zijn?