Alles begon met dat jurkje
‘Waarom kunnen we nooit eens gewoon normaal doen, ma?’ Yannick zijn woorden snijden als messen. Ik trek mijn knieën op tegen mijn borst en luister naar de echo van zijn frustratie, terwijl ik in stilte de patronen volg van de regendruppels op het raam. ‘Omdat normaal doen soms gewoon niet bestaat in dit huis, Yannick,’ fluister ik terug, nauwelijks hoorbaar. Maar hij hoort me niet. Ik weet het, want de deur van mijn slaapkamer slaat hard dicht – zijn woede stuitert tegen de muren zoals altijd.
Die ochtend had ik besloten eindelijk iets te doen met de premie die ik gisteren kreeg op het werk, al voelde het oneerlijk om dit kleine geluk niet meteen te delen met Kris. ‘Geef het dan toch aan de kinderen, waarom zo moeilijk doen, Winake?’ Mijn man Jeroen zijn stem klonk altijd bezorgd en vlak – het soort bezorgdheid dat niet warm voelt, maar koud. De kinderen, jawel: Yannick, achttien, en Fien, vijftien – beiden even koppig als hun vader. Kris, mijn jongste broer, woonde tegenwoordig bij ons omdat het leven in zijn eentje op zijn appartement in Mechelen te veel werd na de scheiding.
Nochtans bleef mijn hoofd rondjes draaien om een ander idee. Ik had dat jurkje gezien in het boetiekje op de hoek, dat blauwe met franjes dat alles verstopte wat ik niet meer wou tonen aan mezelf. ‘Dat is toch geen geld eraan geven, hé mama?’ zei Fien, haar ogen groot en spottend. ‘Gij hebt al twintig van die dingen in de kast die nooit uitkomen.’
‘Het gaat niet over het jurkje, Fien. Het gaat over…’ Maar ik stop, want waarover ging het dan echt? Vrijheid? Jezelf terugvinden? De erkenning dat ik meer ben dan moeder, opvang, en bemiddelaar tussen twee generaties in constante oorlog?
Op het werk hadden collega’s geglimlacht toen ik de bonus kreeg. ‘Trakteer jezelf maar goed!’ zei Nadia. Maar ‘jezelf trakteren’ blijkt moeilijk wanneer je hoofd vol zit met boodschappenlijstjes, facturen van de mazout en de jaarlijkse schoolrekening. Toch stond ik die middag voor de winkelruit, mijn linkerhand trillend tegen mijn handtas gedrukt, twijfelend. Maar in dat moment was ik sterk. Ik kocht het jurkje. Het voelde als stelen, als verraad zelfs – en toch heerlijk.
Die avond trok ik het voor de spiegel aan. Jeroen zat al uren te zwijgen achter zijn krant, zoals altijd wanneer er spanning is. ‘Ge moet niet verwachten dat ge ineens anders zijt omdat ge een nieuw ding aanhebt, Wina,’ zei hij zonder op te kijken. Dat deed pijn, Dieu, dat deed echt pijn. Maar ik glimlachte naar mijn spiegelbeeld, een beetje breekbaar maar met rechte schouders. ‘Dit ben ik ook,’ fluisterde ik, een statement tegen de kilte.
Het was echter Yannick die de vlam in de pan deed slaan. Hij stond plots in de deuropening, zichtbaar ontdaan.
‘Ge zijt wéér geld aan het uitgeven aan onzin, ma. En Kris loopt hier met zijn gebroken schoenen – ziet ge dat niet?’
‘Ik zie heel veel, Yannick. Meer dan ge denkt.’
‘Misschien moet je meer zien wat voor familie ge kapotmaakt, in plaats van u te verkleden!’
Op dat moment barst alles los. Fien gooit haar telefoon op tafel. ‘Altijd drama hier! Iedereen heeft altijd iets te klagen.’
Jeroen verbergt zich die avond in de garage onder het mom van ‘iets aan de motor doen’, hoewel ik weet dat hij gewoon stilte zoekt. Kris, arme jongen, probeert neutraal te blijven. ‘Wina, het is ook niet zo erg. Ge verdient dat jurkje. Echt wel. Trek u van hen niks aan.’
Maar dat lukt niet. De dagen erna lijkt niets meer gewoon. Yannick is nors. Fien negeert me compleet. Zelfs Jeroen is nog minder thuis dan anders. We zwijgen meer dan we praten, en als we praten, is het over’t weer, over de post die nog betaald moet worden, over wie de vuilzakken buiten zet. Ik vraag me ’s nachts af waar het allemaal is misgelopen. Was die eenvoudige beslissing, dat kleine geluk voor mezelf, echt zo’n misdaad?
Op zaterdagavond kom ik Yannick tegen in de keuken. Hij wil iets zeggen, maar zijn kin trilt van woede of verdriet – ik kan het niet onderscheiden. ‘Jij snapt gewoon niet hoe lastig het voor ons is, altijd dat gedoe. Altijd keuzes maken om… om niks.’
Ik neem zijn hand, tegen zijn wil in. ‘Weet ge, jongen, soms is een klein beetje geluk het enige waar een mens op kan teren. En soms mogen we dat onszelf gunnen, zelfs als het zacht blauw is en aan een plastic kapstokje hangt.’
Mijn woorden dwarrelen als herfstblaadjes naar de grond. Maar als ik die nacht weer in bed lig, in het donker, voel ik fels de druk van hun verwachtingen. Ik ben geen perfecte moeder, geen perfecte echtgenote, zelfs geen perfecte zus. Maar ik ben Wina, en voor het eerst sinds lang heb ik mezelf dat toegelaten.
‘Iets of iemand moet altijd de schuld krijgen, hé?’ denk ik als ik het gordijn dichttrek en mezelf kan zien weerspiegeld in het beslagen raam. ‘Is het altijd het jurkje, of zijn wij gewoon vergeten om elkaar te zien zoals we zijn?’
En in die stilte vraag ik mezelf af – moeten we echt alles opofferen voor harmonie, of is het tijd dat we leren dat een beetje egoïsme misschien geen zonde is?