Wie ben je echt?
— ‘Ben je nu alweer aan het slapen, Marnix? Hoor je dan niet hoe ze te keer gaan? Het is drie uur, verdorie!’ Mijn stem trilde, niet alleen van vermoeidheid, maar van opgekropte ergernis die elk weekend weer naar boven kwam.
Marnix draaide zich loom op zijn zij, zijn stem gedempt door kussen en slaap. ‘Katrien, alsjeblieft, ik heb morgenvroeg één van de langste ritten dit jaar. Kunnen we dit niet gewoon laten?’
Maar ik kon het niet. Mijn hart bonsde tegen mijn ribben, elke dreun van de muziek boven ons brandde zich op mijn zenuwen. Vier jaar al woonden we in dit appartement in een buitenwijk van Gent, vier jaar die ieder stukje begrip en liefde langzaam hadden opgesoupeerd. De buren — studerende gasten die hun jeugd en vrijheid vierden alsof er morgen geen examinator zou zijn — beloofden telkens beterschap, maar niets veranderde.
Ik liep naar de keuken, zette de kraan open, liet het koude water door mijn vingers stromen. Aan de andere kant van het raam zag ik het flauwe licht van de bovenverdieping. Gelach, schaduwen op gordijnen. Marnix kwam achter me staan. Hij legde zijn hand op mijn schouder, maar ik haalde hem ruw weg. ‘Laat maar, echt.’
De volgende ochtend kwam Marnix nauwelijks aan tafel. Hij droeg zijn werkkledij — die felgele jas met opschrift ‘De Lijn’ — en zag er ouder uit dan veertig. Ik probeerde zijn boterhammen niet aan te raken; we zwegen tijdens het ontbijt. Voor hij vertrok, zei hij: ‘Misschien moet je eens met de huisbaas bellen, Katrien.’ Hij was buiten voor ik kon antwoorden.
Ik bleef achter met stilte, met mokkend water in de ketel en een oude, witte kat die zich als een donzige bol in het zonlicht nestelde. In die leegte borrelde alles op. Vier miskramen. Vier keer hoop en weerloos leegte. Vriendinnen die hun kinderen troosten aan de schoolpoort, terwijl ik mezelf verloor in eindeloze werkuren als administratief medewerker bij Stad Gent.
Mijn gsm trilde. Een sms van mijn moeder: “Vergeet niet dat Luc morgen op bezoek komt. Hij komt voor advies over zijn pensioen — je weet hoe hij is!”
Mijn broer Luc — altijd perfect, altijd geslaagd in alles. Getrouwd met Sofie, twee kinderen, huis in Sint-Amandsberg, hond en zonnepanelen. En ik? Mijn leven samengeperst tussen betonnen muren, slapeloze nachten en een huwelijk dat knarste als een roestige poort in de wind.
Ik besloot te reageren. Mijn benen voelden slap terwijl ik naar de bovenbuur liep. Mijn vuist beefde even voor ik klopte.
De deur werd opengedaan door een jonge man met warrig, donker haar en een air van nonchalance. ‘Ah, mevrouw De Clercq, alles in orde?’
‘Nee, niet echt,’ snauwde ik. ‘Jullie lawaai — ik slaap al weken niet meer. Kan het niet iets rustiger? Iedereen hier werkt of heeft kinderen. Je weet toch — dit is geen studentenhuis.’
Hij glimlachte verontschuldigend, maar ik zag aan zijn ogen dat hij me niet echt hoorde. ‘Sorry, het was gisteren laat, examens voorbij en zo… Maar we zullen erop letten.’
Ik mompelde iets en daalde af naar beneden, woede in mijn maag. Wat wist deze jongen van verlies? Van nachten gevuld met stilte, die snijdt als glas?
Die avond, tijdens het avondeten, vroeg ik aan Marnix: ‘Ben je nog gelukkig, eigenlijk? Met mij? Met dit alles? De dagen lijken altijd hetzelfde.’
Hij keek op, verrassend wijs. ‘Soms niet, Katrien. Maar het is niet alleen jouw schuld.’
Ik voelde tranen prikken. ‘Denk je soms dat jij de enige bent die niet slaapt? Die iets mist?’ Mijn stem klonk te scherp, maar ik kon het niet tegenhouden.
Marnix legde zijn vork neer. ‘Misschien… Misschien zijn we elkaar onderweg wat kwijtgeraakt. Is het de schuld van die buren? Of… van onszelf?’
De stilte was harder dan het luidste feestje. Die nacht sliep ik niet. Mijn gedachten draaiden, grepen naar vroeger, naar de donkerblauwe jurk waarin Marnix me ooit ten dans vroeg op het schoolbal, naar de belofte van kinderen, naar koffie in de ochtendzon. Alles leek zo ver weg, verpulverd tussen de muren van ons flatje.
‘S Morgens belde ik mijn moeder. ‘Mama, ik weet niet meer wie ik ben. Of wie we waren.’
Ze zuchtte. ‘Katrien, iedereen draagt gewicht. Het ene is zichtbaar, het andere niet. Maar niemand moet dat alleen doen — laat ons iets voor je zijn.’
Toen Luc kwam, was hij zoals altijd: enthousiast over al zijn projecten. Toch merkte hij iets. Terwijl onze mannen in de tuin stonden, vroeg hij zacht: ‘Hoe gaat het echt, zus?’ Een vraag die ik al jaren niet gehoord had — en plots brak ik.
Ik vertelde hem over miskramen, over het gevoel te falen als vrouw, over het bonkende verlangen naar rust — lichamelijk, relationeel, sociaal. Luc gaf geen raad, geen oplossingen. Hij luisterde gewoon, hield mijn hand vast tot alles uitgedruppeld was.
Die avond begon het weer. Muziek, stemmen, feest. Maar deze keer liep Marnix naar boven. Na een korte tijd kwam hij terug, zijn ogen glansden. ‘Ze waren verrast,’ zei hij. ‘Ze hadden ons niet willen storen. Maar weet je? Eén van hen is ook zijn moeder net verloren. Hij drinkt om de leegte niet te voelen. Iedereen draagt zijn rugzak, Katrien.’
We zwegen even samen. Die nacht hield Marnix me vast zoals vroeger. ‘Missen we een kind, of missen we gewoon de hoop?’ fluisterde hij.
Weken gingen voorbij. Het lawaai minderde — niet door klachten, maar door een gesprekje, door mens te zijn. Marnix en ik zochten hulp, spraken eindelijk uit wat vastzat. Stilaan werd het huis iets meer thuis, zelfs als het soms schuurt.
Soms sla ik ’s nachts de dekens open, luisterend naar het zachte snorren van onze witte kat, en denk ik: bestaat er ooit écht geluk, of zijn het gewoon kleine momenten die, samen, als rustpunten in de storm ogen?
Hoeveel van jullie dragen zo’n stilte met zich mee — en wat zouden jullie antwoorden als iemand vraagt wie je écht bent?