Je bent niet ons schoonheidsideaal – Ballade over het leven van Anja

‘Anja, waar zit je nu weer? Hoe vaak moet ik je nog bellen? Als dat artikel maandag niet af is, kun je je boeltje pakken!’ De stem van mijn hoofdredacteur, meneer De Smet, galmde door de speaker van mijn gsm. Ik kneep mijn ogen dicht, voelde de spanning in mijn schouders. ‘Ga toch naar de hel!’ siste ik, terwijl ik met een ruk op de rem trapte. Mijn oude Peugeot kwam met een schreeuwende piep tot stilstand op de natte Mechelsesteenweg. Regen sloeg tegen de voorruit, en even voelde ik me zo leeg als de stad op een zondagochtend.

Ik keek naar mijn trillende handen op het stuur. ‘Waarom doe ik dit mezelf aan?’ dacht ik. Mijn moeder, Gerda, had altijd gezegd dat ik te gevoelig was voor deze wereld. ‘Anja, je moet harder worden, meisje. Niemand gaat op je wachten.’ Maar ik was nooit hard genoeg geweest, niet voor haar, niet voor mijn vader, en blijkbaar ook niet voor de redactie van het weekblad waar ik werkte.

Mijn gsm trilde opnieuw. ‘Anja, waar blijf je? Je zus is hier al een uur. Je weet toch dat we vandaag naar tante Marleen gaan?’ De stem van mijn moeder was doordrenkt van verwijt. ‘Ik ben onderweg, mama,’ antwoordde ik, terwijl ik probeerde mijn stem niet te laten breken. ‘Altijd onderweg, nooit op tijd,’ hoorde ik haar nog mompelen voor ze ophing.

Ik reed verder, de ruitenwissers vechtend tegen de regen. Mijn gedachten dwaalden af naar mijn jeugd in een klein dorpje in de Kempen. Mijn zus Sofie was altijd de mooie, de slimme, de succesvolle. Zij had een job bij een groot advocatenkantoor in Brussel, een knappe vriend, en een appartement met zicht op het Zuid. Ik was de dromer, de schrijfster, de eeuwige twijfelaar. ‘Je bent niet onze schoonheid, Anja,’ zei mijn grootmoeder ooit, ‘maar je hebt een goed hart.’ Alsof dat genoeg was in een wereld die draait om uiterlijk en prestaties.

Toen ik bij het huis van tante Marleen aankwam, stonden Sofie en mama al in de gang. Sofie keek me aan met die blik die alles zei: ‘Weer te laat, weer niet op orde.’ ‘Dag zus,’ zei ze, haar stem koel. ‘We wachten al een uur.’

‘Sorry, het was druk op het werk,’ probeerde ik. Mama zuchtte. ‘Altijd een excuus. Kom, Marleen wacht.’

Binnen rook het naar koffie en versgebakken cake. Tante Marleen zat in haar zetel, haar gezicht getekend door de chemo. ‘Anja, liefje, kom hier,’ zei ze zacht. Ik knielde bij haar neer, voelde haar hand op mijn haar. ‘Je ziet er moe uit, meisje. Zorg je wel voor jezelf?’

Ik slikte. ‘Het gaat wel, tante. Werk is druk.’

‘Je moet niet alles voor iedereen doen, Anja,’ fluisterde ze. ‘Je mag ook eens aan jezelf denken.’

Die avond, thuis in mijn kleine studio in Borgerhout, staarde ik naar het lege Word-document op mijn laptop. Het artikel moest gaan over “de nieuwe Vlaamse vrouw”. De ironie ontging me niet. Wat wist ik daar nu van? Ik voelde me allesbehalve nieuw, allesbehalve vrouwelijk, allesbehalve Vlaams. Ik was gewoon… moe.

Mijn gsm trilde opnieuw. Een bericht van Sofie: ‘Mama zegt dat je haar teleurstelt. Misschien moet je eens nadenken over wat je echt wilt met je leven.’

Ik gooide mijn gsm op bed. Tranen prikten achter mijn ogen. Waarom was het nooit genoeg? Waarom kon ik niet gewoon zijn wie ik was, zonder dat eeuwige gevoel van tekortschieten?

De volgende dag op de redactie was het niet beter. De Smet keek me aan over zijn bril. ‘Anja, je stuk is nog niet binnen. Je weet wat er op het spel staat.’

‘Ik weet het, meneer De Smet. Het komt eraan.’

‘Je bent een goede schrijfster, Anja, maar je mist… pit. Je moet harder zijn, scherper. Kijk naar Sofie, jouw zus. Die weet wat ze wil.’

Ik voelde de woede opborrelen. ‘Sofie is advocaat. Ik ben geen Sofie. Ik ben Anja.’

Hij lachte schamper. ‘Misschien moet je dat dan eens laten zien.’

’s Avonds liep ik door de regen naar huis. Mijn jas was doorweekt, mijn schoenen sopten. Op het Astridplein zag ik een oude man op een bankje zitten, zijn gezicht verborgen in zijn handen. Iets in mij brak. Ik ging naast hem zitten, gaf hem mijn paraplu. ‘Het regent hard, hé meneer?’

Hij keek op, zijn ogen rood. ‘Mijn vrouw is gisteren gestorven. Ik weet niet wat ik nu moet doen.’

We zaten daar samen, twee vreemden in de regen, elk met ons eigen verdriet. ‘Soms weet ik het ook niet meer,’ zei ik zacht. ‘Maar misschien is het genoeg om gewoon even samen te zijn.’

Toen ik thuiskwam, schreef ik het artikel in één ruk. Niet over de “nieuwe Vlaamse vrouw” zoals de redactie het wilde, maar over kwetsbaarheid, over falen, over hoe we allemaal zoeken naar erkenning, liefde, een plek in de wereld. Ik stuurde het door, zonder verwachtingen.

De volgende ochtend stond De Smet aan mijn bureau. ‘Anja, dit… dit is echt. Dit is wat we nodig hebben. Je hebt jezelf laten zien. Goed gedaan.’

Ik glimlachte flauwtjes. Voor het eerst voelde ik me niet minder dan Sofie, niet minder dan wie dan ook. Misschien was ik niet hun schoonheidsideaal, maar ik was wel mezelf.

’s Avonds belde ik mama. ‘Mama, ik weet dat ik niet altijd ben wie je wilt dat ik ben. Maar ik doe mijn best. En misschien is dat genoeg.’

Er viel een stilte aan de andere kant. Toen hoorde ik haar zachtjes snikken. ‘Ik ben trots op je, Anja. Vergeet dat nooit.’

Soms vraag ik me af: hoeveel van ons lopen verloren in de regen, op zoek naar goedkeuring die we misschien nooit krijgen? En is het niet tijd dat we gewoon onszelf mogen zijn, met al onze gebreken? Wat denken jullie?