Stiefzussen – Dagboek van een Stiefzus
‘Waarom moet jij altijd alles beslissen, Lien?’ Sofie’s stem trilt terwijl ze de deur van mijn kamer openzwaait. Ik zit op mijn bed, mijn dagboek half onder mijn kussen verstopt. ‘Het is niet omdat jij hier langer woont dat alles van jou is!’
Ik slik. Mijn vingers krullen zich om de pen. ‘Sofie, ik beslis niks. Papa vroeg gewoon of ik de boodschappen wilde doen. Jij was toch weg met je vriendinnen?’
Ze rolt met haar ogen en smijt haar rugzak op de grond. ‘Altijd hetzelfde. Jij bent de perfecte dochter, zeker? Annick zegt het ook altijd: “Lien is zo verantwoordelijk.”’
Ik voel het bloed naar mijn wangen stijgen. Sinds papa met Annick trouwde, is ons huis niet meer van mij. Alles is anders. Sofie is altijd luid, altijd aanwezig, en Annick kijkt naar mij alsof ik een project ben dat ze moet verbeteren. Mama is drie jaar geleden gestorven, en ik mis haar elke dag. Maar dat mag ik niet zeggen, want dan zegt papa dat ik Annick een kans moet geven.
Die avond aan tafel is het weer ongemakkelijk stil. Papa probeert een gesprek te beginnen over de vakantie, maar Annick onderbreekt hem. ‘Misschien kunnen we dit jaar naar de Ardennen? Sofie houdt van wandelen.’
Papa knikt, kijkt naar mij. ‘Wat denk jij, Lien?’
Ik haal mijn schouders op. ‘Maakt mij niet uit.’
Sofie zucht overdreven. ‘Altijd zo ongeïnteresseerd. Waarom doe je niet eens mee?’
Ik wil roepen dat ik niet mee wíl, dat ik gewoon mijn oude leven terug wil. Maar ik zwijg. Na het eten trek ik me terug op mijn kamer. Mijn dagboek is mijn enige uitlaatklep. Ik schrijf:
‘Soms voel ik me een indringer in mijn eigen huis. Papa lacht minder. Annick kijkt altijd kritisch. Sofie lijkt alles te krijgen wat ze wil. Waarom ben ik hier nog?’
De volgende dag op school voel ik de blikken. Iedereen weet dat mijn vader hertrouwd is. Mijn beste vriendin, Els, vraagt voorzichtig: ‘Hoe is het thuis?’
Ik glimlach flauwtjes. ‘Zoals altijd. Sofie en ik zijn water en vuur.’
Els knikt begrijpend. ‘Misschien moet je haar eens meenemen naar de cinema? Gewoon, met z’n tweeën.’
Ik trek een gezicht. ‘Alsof zij dat wil. Ze noemt me een saaie trut.’
Toch blijft het idee hangen. Die avond, als Sofie op de bank zit te scrollen op haar gsm, waag ik het. ‘Wil je vrijdag mee naar de cinema? Er draait een nieuwe thriller.’
Ze kijkt op, verrast. ‘Met jou?’
Ik knik. ‘Ja, waarom niet?’
Ze haalt haar schouders op. ‘Oké, maar jij betaalt.’
Ik lach ongemakkelijk. ‘Deal.’
Vrijdagavond. We zitten naast elkaar in de donkere zaal. Het is vreemd, zo samen. Tijdens de film fluistert Sofie plots: ‘Mijn papa woont in Luik. Ik zie hem bijna nooit.’
Ik kijk haar aan. ‘Mis je hem?’
Ze knikt. ‘Soms. Maar Annick zegt dat we nu een nieuw gezin zijn. Alsof dat zomaar kan.’
Ik voel een steek van herkenning. ‘Ik mis mijn mama ook.’
Na de film lopen we zwijgend naar huis. Het is geen vriendschap, maar het is iets. Thuis is Annick zenuwachtig. ‘Waar zaten jullie zo lang? Ik was ongerust!’
Sofie rolt met haar ogen. ‘We waren gewoon in de cinema, mama. Doe niet zo hysterisch.’
Annick kijkt naar mij. ‘Lien, je had toch kunnen bellen?’
Ik voel me weer het kind dat alles fout doet. ‘Sorry, ik dacht dat Sofie het had gezegd.’
Papa komt tussenbeide. ‘Laat ze toch. Ze zijn veilig thuis.’
Die nacht hoor ik Annick en papa fluisteren. ‘Ze trekken niet naar elkaar toe, Luc. Misschien moeten we hulp zoeken.’
‘Geef het tijd, Annick. Het zijn moeilijke jaren.’
Ik draai me om in bed. Hulp zoeken? Alsof wij een probleem zijn dat opgelost moet worden. Waarom kan niemand gewoon luisteren?
De weken gaan voorbij. Sofie en ik botsen nog vaak. Ze neemt mijn spullen zonder te vragen, ik snauw terug. Annick probeert te bemiddelen, maar het voelt geforceerd. Op een dag, als ik thuiskom van school, hoor ik Annick huilen in de keuken. Papa troost haar. ‘Het komt wel goed, schat. Geef het tijd.’
Ik voel me schuldig. Ben ik de oorzaak van haar tranen? Of is het gewoon te moeilijk, een nieuw gezin vormen?
Op een zondagmiddag, als het regent, zitten we met z’n allen in de woonkamer. Papa stelt voor om samen een spel te spelen. Sofie zucht, maar doet toch mee. Tijdens het spel lachen we voor het eerst samen. Even lijkt het alsof we een echt gezin zijn.
’s Avonds schrijf ik in mijn dagboek:
‘Misschien is het niet zo hopeloos. Misschien kunnen Sofie en ik ooit zussen worden. Maar het zal tijd kosten. En geduld. En misschien een beetje geluk.’
Toch blijft de onzekerheid knagen. Wie ben ik in dit nieuwe gezin? Ben ik nog steeds papa’s dochter, of ben ik gewoon een bijrol in Annick en Sofie’s leven? Soms vraag ik me af: als je familie niet kiest, kun je dan ooit echt samen gelukkig zijn?