Ze heeft haar eigen keuze gemaakt
— Waarom ben je nog niet aangekleed? — Mijn stem trilde van ingehouden woede terwijl ik in de deuropening stond. Ik keek naar Pieter, die zoals gewoonlijk op de zetel lag, zijn blik vastgeplakt aan het scherm. — Weet je wel welke dag het vandaag is?
— Wat nu weer? — bromde hij zonder zijn ogen van de televisie te halen. — Moeten we alweer ergens naartoe?
— Naar het ziekenhuis! Sofie is bevallen, dat weet je toch nog? De eerste van onze vrienden die moeder wordt. We hadden beloofd langs te gaan.
Hij zuchtte diep, alsof ik hem vroeg om de Schelde over te zwemmen. — Kunnen we niet gewoon een berichtje sturen? Ik ben moe, Tine.
Mijn handen balden zich tot vuisten. Altijd hetzelfde liedje. Altijd excuses, altijd zijn eigen gemak eerst. Ik voelde de tranen branden achter mijn ogen, maar ik slikte ze weg. Vandaag niet. Vandaag zou ik niet weer toegeven.
Ik draaide me om en liep naar de slaapkamer. Terwijl ik mijn jas aantrok, hoorde ik hem nog roepen: — Doe dan maar de groeten van mij.
Ik sloeg de deur achter me dicht, harder dan ik bedoelde. Buiten was het koud, de lucht grijs en zwaar boven de stad. Mijn adem vormde wolkjes terwijl ik naar de tramhalte liep. In mijn hoofd tolden de gedachten. Hoe was het zover gekomen? Waar was het misgelopen tussen ons?
Toen ik Pieter leerde kennen, was hij charmant, attent. We lachten samen, droomden samen. Maar nu, na acht jaar samenwonen in een klein appartement in Borgerhout, leek alles op routine. Hij werkte in de haven, lange dagen, kwam thuis en plofte neer voor de tv. Ik werkte als verpleegkundige in het UZA, onregelmatige uren, altijd moe. We spraken elkaar amper nog. Onze gesprekken gingen over boodschappen, facturen, wie de vuilnis buiten moest zetten. Liefde was vervangen door gewoonte.
In de tram keek ik naar de mensen om me heen. Een jonge moeder met een slapend kindje in de draagdoek, een oudere man die zachtjes glimlachte naar zijn krant. Iedereen leek zijn plek te hebben, behalve ik. Wat was er van mijn dromen geworden? Ik wilde reizen, schrijven, iets betekenen. Maar alles leek opgeslokt door de sleur van elke dag.
Bij het ziekenhuis aangekomen, voelde ik mijn hart sneller kloppen. Sofie lag op kamer 312. Ik klopte zachtjes aan en stapte binnen. Ze lag bleek maar stralend in bed, haar man Tom zat naast haar met hun dochtertje in zijn armen.
— Tine! — riep Sofie, haar ogen glinsterden. — Wat fijn dat je er bent!
Ik feliciteerde haar, bewonderde het kleine meisje. Maar diep vanbinnen voelde ik een steek van jaloezie. Niet om de baby, maar om de liefde tussen Sofie en Tom. De manier waarop ze elkaar aankeken, de vanzelfsprekendheid waarmee ze samen waren.
Na een uurtje vertrok ik weer. Buiten belde ik mijn moeder.
— Hoe is het met Sofie? — vroeg ze.
— Goed, moe maar gelukkig.
— En met jou, meisje? Je klinkt zo stil.
Ik aarzelde. Mijn moeder was altijd mijn steun geweest, maar ook streng, vol verwachtingen. — Het gaat wel, mama.
— Je moet niet alles alleen dragen, Tine. Kom vanavond eens langs, ik maak stoofvlees.
Ik beloofde het, maar wist niet of ik het zou kunnen opbrengen. Thuisgekomen was Pieter verdwenen. Een briefje op tafel: “Ben bij Jan, voetbal kijken. Eten staat in de frigo.”
Ik staarde naar het briefje. Zo kil, zo afstandelijk. Alsof we huisgenoten waren, geen geliefden.
Die nacht lag ik wakker. De stilte in huis was oorverdovend. Ik dacht aan vroeger, aan de zomeravonden op de kaaien, aan onze eerste reis naar de Ardennen. Waar was dat gevoel gebleven? Was het mijn schuld? Had ik te veel gevraagd, te weinig gegeven? Of was het gewoon op?
De volgende ochtend, terwijl ik koffie zette, kwam Pieter binnen. Hij keek me nauwelijks aan.
— Alles goed? — vroeg hij, zonder op antwoord te wachten.
— Pieter, kunnen we praten? — Mijn stem was zacht, maar vastberaden.
Hij haalde zijn schouders op. — Waarover?
— Over ons. Over hoe het nu gaat.
Hij zuchtte. — Tine, ik heb geen zin in drama. Het is gewoon druk geweest, oké?
— Maar zo kan het niet verder. We leven naast elkaar. Ik voel me alleen.
Hij keek me eindelijk aan, zijn ogen moe. — Wat wil je dan dat ik doe?
— Ik weet het niet. Maar ik wil niet meer zo leven.
Hij zweeg. Het enige wat ik hoorde was het tikken van de klok.
— Misschien moeten we even afstand nemen, — zei ik uiteindelijk. — Ik ga een paar dagen naar mama.
Hij knikte, zonder protest. Alsof het hem niet raakte.
Bij mijn moeder voelde ik me weer kind. Ze zette een kop thee voor me neer, streek over mijn haar.
— Je moet doen wat goed is voor jezelf, Tine. Je hebt altijd voor anderen gezorgd. Nu is het jouw beurt.
Ik huilde, eindelijk. Alle opgekropte verdriet kwam eruit. Mijn moeder hield me vast, zoals vroeger.
De dagen bij haar thuis gaven me rust. Ik wandelde door het park, las boeken, schreef in mijn dagboek. Voor het eerst in jaren dacht ik na over wat ik zelf wilde. Niet wat Pieter wilde, niet wat anderen verwachtten. Ik wilde vrijheid, ruimte om te ademen.
Na een week belde Pieter.
— Kom je terug? — vroeg hij.
— Ik weet het niet, Pieter. Ik heb tijd nodig.
— Dus je laat alles gewoon vallen?
— Nee, ik kies eindelijk voor mezelf.
Hij werd boos, schreeuwde zelfs. Maar ik bleef kalm. Voor het eerst voelde ik me sterk.
Mijn vrienden reageerden verschillend. Sommigen vonden dat ik moest vechten voor mijn relatie, anderen begrepen me. Sofie stuurde een berichtje: “Je verdient het om gelukkig te zijn, Tine. Wat je ook kiest.”
Na twee weken ging ik terug naar het appartement om mijn spullen te halen. Pieter was er niet. Ik liep door de kamers, raakte de dingen aan die ooit van ons waren. Foto’s, boeken, de plant die ik altijd water gaf. Ik voelde verdriet, maar ook opluchting. Dit hoofdstuk was voorbij.
Toen ik de deur achter me dichttrok, wist ik dat ik de juiste keuze had gemaakt. Niet omdat het makkelijk was, maar omdat het nodig was. Ik moest mezelf terugvinden, mijn eigen leven leiden.
Nu, maanden later, woon ik in een klein appartementje in Berchem. Ik heb nieuwe vrienden gemaakt, ben begonnen met schrijven. Soms mis ik Pieter, of het idee van samen zijn. Maar ik weet dat ik eindelijk mezelf ben.
Was het egoïstisch om voor mezelf te kiezen? Of is het juist moedig om niet langer te leven voor de verwachtingen van anderen? Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond?