De schaduw over het binnenplein: Het verhaal van Marleen

‘Waarom is die plas weg?’ Mijn stem trilt terwijl ik de zware deur van onze appartementsblok open duw. Het is herfst in Gent, de lucht ruikt naar natte bladeren en oude bakstenen. Elke avond, als ik terugkeer van mijn job in de nachtwinkel aan het Sint-Pietersplein, moet ik die verdomde plas ontwijken. Maar vandaag niet. Vandaag is het alsof iemand het binnenplein heeft schoongeveegd, alsof de regen van de hele dag nooit gevallen is.

‘Ma, waar is die grote plas gebleven?’ roep ik naar boven, terwijl ik mijn fiets tegen de muur zet. Mijn moeder, Denise, steekt haar hoofd uit het raam van ons gelijkvloers appartement. ‘Wat zegde gij nu weer, Marleen? Ge zijt altijd zo dramatisch.’

Maar ik weet wat ik gezien heb. Die plas was er altijd. En nu niet meer. Mijn moeder is al twintig jaar de conciërge van dit blok. Ze kent elke tegel, elke barst in het beton. Maar ze lijkt niet onder de indruk.

Binnen ruikt het naar soep en natte jassen. Mijn broer, Stefaan, zit aan tafel met zijn laptop open. ‘Ge moet u niet zo opjagen over een beetje water,’ zegt hij zonder op te kijken. ‘Misschien heeft iemand het opgekuist.’

‘Wie dan?’ snauw ik terug. ‘Niemand doet hier ooit iets zonder reden.’

Mijn moeder zucht en draait zich om naar haar potten. ‘Marleen, ge zijt altijd op zoek naar problemen. Laat dat nu toch eens los.’

Maar ik kan het niet loslaten. Sinds papa gestorven is – nu bijna vijf jaar geleden – voelt het alsof alles hier langzaam uit elkaar valt. De buren praten minder met elkaar, er zijn meer klachten over lawaai en vuiligheid. En mijn moeder wordt moe. Te moe om nog alles te regelen.

Die nacht lig ik wakker en luister naar het zachte getik van regen tegen het raam. Ik denk aan vroeger, toen papa nog leefde en we samen het binnenplein proper maakten op zaterdagochtend. Hij zei altijd: ‘Marleen, ge moet goed kijken naar wat verandert. Kleine dingen zeggen veel.’

De volgende ochtend besluit ik zelf op onderzoek te gaan. Ik trek mijn regenjas aan en ga naar buiten. De lucht is grijs, de straat leeg. Op het binnenplein zie ik sporen van modder, maar geen plas. Ik buk me en voel aan de grond – droog, ondanks de regen.

Plots hoor ik voetstappen achter mij. Het is meneer De Smet van het tweede verdiep, een norse man die altijd klaagt over lawaai en kinderen die spelen op het plein.

‘Wat doet gij daar zo vroeg?’ vraagt hij argwanend.

‘Gewoon… kijken,’ mompel ik.

Hij knikt langzaam, zijn ogen priemen in de mijne. ‘Er gebeuren rare dingen hier de laatste tijd,’ fluistert hij dan plots. ‘Gisterenavond zag ik iemand op het plein sluipen met een emmer.’

Mijn hart slaat sneller. ‘Wie dan?’

‘Dat weet ik niet,’ zegt hij schouderophalend. ‘Maar ge moet uw ogen openhouden, meisje.’

Die dag kan ik nergens anders aan denken. Op mijn werk maak ik fouten aan de kassa en krijg ik een uitbrander van mijn baas, Aisha. ‘Marleen, ge zijt er precies met uw hoofd niet bij vandaag.’

‘Sorry,’ mompel ik.

‘s Avonds thuis probeer ik Stefaan te overtuigen om samen uit te zoeken wat er gebeurd is.

‘Ge zijt echt paranoïde,’ lacht hij. ‘Misschien was het gewoon een kind dat wilde spelen met water.’

Maar iets klopt niet. Ik voel het tot in mijn botten.

De dagen gaan voorbij en elke avond kijk ik uit het raam naar het binnenplein. Op een nacht zie ik een schim bewegen bij de fietsenstalling. Ik sluip naar buiten op mijn sokken en verstop me achter de vuilnisbakken.

Het is mijn moeder.

Ze giet water uit een emmer over de plek waar de plas altijd lag.

‘Ma?’ fluister ik verbaasd.

Ze schrikt en draait zich om, haar gezicht bleek in het schijnsel van de straatlamp.

‘Marleen! Wat doet gij hier?’

‘Wat doet gij daar? Waarom giet gij water op de grond?’

Ze zucht diep en laat de emmer zakken.

‘Omdat… omdat die plas mij aan uw vader doet denken,’ zegt ze zachtjes. ‘Elke keer als ik die zie, denk ik aan hem die daar stond te lachen met zijn rubberlaarzen aan. En nu… nu is alles anders.’

Ik voel tranen prikken achter mijn ogen.

‘Maar waarom wilt ge dat die plas blijft?’

Ze kijkt me aan met ogen vol verdriet.

‘Omdat zolang die plas er is, lijkt het alsof hij nog een beetje bij ons is.’

Ik weet niet wat te zeggen. We staan daar samen in de koude nacht, moeder en dochter, elk met ons eigen verdriet dat we proberen te verstoppen voor elkaar.

De volgende dagen probeer ik haar te helpen zonder dat ze het merkt – ik maak het binnenplein schoon, repareer een kapotte lamp in de gang, praat met de buren over kleine dingen die hen dwarszitten.

Maar thuis blijft het stil tussen ons. Stefaan merkt niets; hij zit opgeslorpt in zijn eigen wereld van computers en games.

Op een avond barst alles los tijdens het avondeten.

‘Waarom doet ge altijd zo moeilijk?’ roept Stefaan plots uit als mama vraagt of hij zijn schoenen wil uitdoen voor hij binnenkomt.

‘Omdat ik moe ben!’ roept ze terug. ‘Omdat niemand hier nog helpt! Omdat alles op mij valt!’

Ik spring recht en sla met mijn vuist op tafel.

‘Misschien moeten we allemaal eens luisteren naar elkaar in plaats van altijd te roepen!’

Het wordt stil. Mama begint te huilen en Stefaan kijkt beschaamd naar zijn bord.

Na die avond verandert er iets in ons huis. We praten meer – over papa, over wat we missen, over wat we nodig hebben van elkaar.

En elke keer als het regent en er weer een plas verschijnt op het binnenplein, glimlachen we even naar elkaar.

Soms vraag ik me af: waarom houden we zo hard vast aan kleine dingen uit het verleden? Is het omdat we bang zijn om vooruit te gaan? Of omdat we gewoon niet willen vergeten wie we waren?