Aan de andere kant van de muur: De grens die we niet mogen overschrijden

‘Bas, ik kan het niet meer. Ik zweer het je, als ik nog één keer die muziek van hen hoor, ga ik over de muur klimmen.’ Mijn stem trilde, mijn handen klemden zich om het koffiekopje alsof het het enige was dat me nog met de realiteit verbond. Bas zuchtte, zijn blik op de krant gericht, maar ik zag aan zijn gespannen kaaklijn dat hij het ook beu was. ‘Marjolein, we moeten kalm blijven. We zijn hier nog maar drie maanden. Als we nu al ruzie maken met de buren, wordt het alleen maar erger.’

Drie maanden geleden stonden we nog vol verwachting in de hal van ons nieuwe appartement in Gent, met uitzicht op de Leie. Ik had altijd gedroomd van een plek in het hart van de stad, waar het leven nooit stilstaat. Maar dat leven bleek luidruchtiger dan verwacht. Onze buren, de familie De Smet, waren allesbehalve stil. Elke avond klonk er muziek door de dunne muren, soms gelach, soms ruzie. De eerste weken probeerde ik het te negeren. ‘Het is gewoon wennen,’ zei ik tegen mezelf. ‘Iedereen heeft tijd nodig om zich aan te passen.’

Maar het werd erger. Op een avond, terwijl ik probeerde te lezen, klonk er een harde bons tegen de muur. Ik schrok op. ‘Bas, hoor je dat?’ Hij knikte. ‘Misschien moeten we er iets van zeggen.’

De volgende dag, met knikkende knieën, belde ik aan bij de De Smets. Mevrouw De Smet deed open, haar gezicht strak. ‘Ja?’ vroeg ze, zonder een glimlach. ‘Goeiemorgen, mevrouw. Ik wilde even vragen of het misschien wat stiller kan ’s avonds? Het geluid draagt nogal door de muren.’ Ze snoof. ‘Wij wonen hier al twintig jaar, mevrouw. Misschien moet u zich aanpassen.’ Ze sloeg de deur dicht.

Ik liep terug naar ons appartement, mijn wangen brandend van schaamte en frustratie. Bas probeerde me te troosten, maar ik voelde me machteloos. De nachten werden langer, de ruzies met Bas frequenter. Hij vond dat ik te veel zeurde, ik vond dat hij te weinig deed. ‘Waarom moet ik altijd de moeilijke gesprekken voeren?’ snauwde ik op een avond. ‘Omdat jij je overal druk om maakt!’ riep hij terug. De stilte die volgde, was ijziger dan de winterlucht buiten.

Op een avond, na weer een slapeloze nacht, belde mijn moeder. ‘Hoe is het daar, schatteke?’ Haar stem klonk warm, maar ik voelde de tranen prikken. ‘Niet goed, mama. Ik weet niet of ik dit nog lang volhoud. Bas en ik maken alleen maar ruzie, en die buren…’ Ze zuchtte. ‘Misschien moet je eens met de syndicus praten. Of met Bas. Je kunt niet alles alleen dragen, Marjolein.’

De volgende dag probeerde ik met Bas te praten. ‘We moeten samen een oplossing zoeken. Misschien kunnen we de syndicus inschakelen?’ Bas haalde zijn schouders op. ‘Doe maar. Maar verwacht er niet te veel van.’

De syndicus, meneer Vermeulen, luisterde beleefd, maar ik zag aan zijn blik dat hij dit soort klachten vaker hoorde. ‘Ik zal eens met de familie De Smet praten, maar u moet begrijpen: in een appartementsgebouw moet iedereen een beetje water bij de wijn doen.’

Water bij de wijn. Hoeveel water moest ik nog toevoegen voor mijn glas helemaal leeg was?

De situatie escaleerde toen de zoon van de De Smets, Kevin, op een avond dronken thuiskwam en tegen onze deur bonsde. ‘Jullie denken dat jullie beter zijn, hé? Altijd klagen, altijd zagen!’ Bas stormde naar buiten. ‘Nu is het genoeg, Kevin! Laat ons gerust!’ Er volgde een woordenwisseling op de gang, deuren gingen open, buren keken toe. Ik voelde me klein, vernederd. De volgende dag werd ik op straat genegeerd door de andere bewoners. Alsof wij de oorzaak waren van alle problemen in het gebouw.

Mijn werk begon eronder te lijden. Ik maakte fouten, vergat afspraken. Mijn collega’s vroegen bezorgd of het wel ging. ‘Alles oké, Marjolein?’ Maar ik lachte het weg. ‘Gewoon wat stress, dat is alles.’

’s Nachts lag ik wakker, luisterend naar het gedempte geluid van stemmen aan de andere kant van de muur. Soms dacht ik aan vroeger, aan mijn kindertijd in Lokeren, waar de buren elkaar kenden en hielpen. Waar je gerust een kopje suiker kon gaan lenen zonder dat je scheef bekeken werd. Hier voelde ik me een indringer, een buitenstaander in mijn eigen huis.

De spanningen tussen Bas en mij namen toe. Hij trok zich steeds vaker terug in zijn bureau, ik zocht troost bij mijn zus Annelies. ‘Misschien moet je gewoon verhuizen,’ zei ze op een avond. ‘Maar dat kan toch niet de oplossing zijn?’ antwoordde ik. ‘We hebben hier alles in geïnvesteerd. Ons spaargeld, onze toekomst. Moet ik dat allemaal opgeven omdat anderen geen rekening houden met ons?’

Op een dag, na een zoveelste ruzie met Bas, pakte ik mijn jas en liep zonder doel door de stad. Ik belandde op een bankje aan de Graslei, keek naar het water en voelde de tranen over mijn wangen stromen. Een oude man naast me knikte begrijpend. ‘Het leven is soms hard, hé meisje. Maar ge moogt uzelf niet vergeten.’

Die woorden bleven hangen. Was ik mezelf aan het verliezen in deze strijd? Waar lag de grens tussen opkomen voor mezelf en gewoon toegeven? ’s Avonds, toen ik thuiskwam, zat Bas in de keuken. ‘Sorry,’ zei hij zacht. ‘Ik wil je niet kwijt. Maar ik weet ook niet meer hoe we dit moeten oplossen.’

We praatten urenlang, voor het eerst in weken echt met elkaar. We besloten samen naar een bemiddelaar te stappen. Niet alleen voor de buren, maar ook voor onszelf. De bemiddelaar, een vriendelijke vrouw uit Sint-Amandsberg, luisterde naar ons verhaal. ‘Jullie zijn niet de enigen die hiermee worstelen,’ zei ze. ‘Maar het is belangrijk om te weten wat jullie zelf willen. Wat zijn jullie grenzen?’

Langzaam, met vallen en opstaan, probeerden we onze grenzen te bewaken. We leerden om niet alles persoonlijk te nemen, om samen te lachen om de absurditeit van sommige situaties. De buren bleven luidruchtig, maar we vonden manieren om ermee om te gaan. Oordoppen, muziek, soms gewoon een wandeling maken als het te erg werd.

Maar de littekens bleven. Mijn vertrouwen in mensen, in de kracht van samenleven, was beschadigd. Soms vraag ik me af: hoeveel moet een mens verdragen voor hij breekt? En wie bepaalt waar die grens ligt?

Misschien is dat de vraag die we allemaal moeten stellen: hoeveel water bij de wijn is nog gezond, voor je jezelf helemaal verliest? Wat denken jullie? Waar ligt voor jullie de grens tussen tolerantie en zelfbehoud?