Het Station Waar Ze Nog Altijd Wachten
‘Ge zijt weer te laat, Tom. Altijd hetzelfde met u.’ De stem van mijn moeder galmt nog na in mijn hoofd, zelfs nu ik alleen op het perron van Station Zuid sta. Mijn trein is net vertrokken. Niet omdat hij te vroeg was, maar omdat ik weer eens te laat was. Mijn gsm trilt in mijn jaszak, maar ik durf niet te kijken. Ik weet dat het mijn zus Sofie is, die zich afvraagt waar ik blijf. Ze zal straks weer zeggen dat ik nooit op tijd ben, dat ik altijd alles verpest.
Het is koud. De wind snijdt door mijn jas en ik steek, voor het eerst in jaren, een sigaret op. De rook prikt in mijn longen, maar het voelt als een soort straf die ik verdien. Ik kijk naar de rode lichten van de trein die langzaam verdwijnen in de nacht. ‘Waarom lukt het mij nooit om gewoon… aanwezig te zijn?’ denk ik. Mijn gedachten dwalen af naar vroeger, naar de tijd dat papa nog leefde. Hij was altijd stipt, altijd op tijd, altijd streng. ‘Als ge niet op tijd zijt, Tom, dan zijt ge nergens,’ zei hij altijd. Maar ik ben hier, op een lege perron, nergens.
Plots hoor ik voetstappen achter mij. Een oude man, met een verweerde pet en een plastic zak, schuifelt langs me heen. Hij kijkt me even aan, knikt, en gaat op het bankje zitten. ‘Te laat voor de laatste trein?’ vraagt hij met een hese stem. Ik knik. ‘Altijd te laat, precies,’ zeg ik, half lachend, half huilend. Hij haalt zijn schouders op. ‘Ge moet leren wachten, jongen. Hier wachten we allemaal op iets.’
Zijn woorden blijven hangen. Waar wacht ik eigenlijk op? Op vergeving van mijn moeder, op begrip van mijn zus, op een kans om het goed te maken? Of wacht ik gewoon tot iemand mij eindelijk eens écht ziet? Mijn gsm trilt opnieuw. Dit keer neem ik op. ‘Tom, waar zijt ge? Mama is ongerust. Ge weet dat ze niet goed is de laatste tijd.’ Sofie’s stem klinkt gespannen. ‘Ik… ik heb de trein gemist. Sorry, Sofie. Ik kom zo snel mogelijk.’
‘Altijd hetzelfde met u,’ zucht ze. ‘Weet ge nog, die keer dat ge te laat waart voor papa’s begrafenis? Mama heeft u dat nooit vergeven, Tom. Ge moet nu echt uw best doen.’
Ik voel de schaamte als een koude hand om mijn hart knijpen. Die dag, drie jaar geleden, toen ik te laat aankwam en de kist al in de grond lag. Mama had me niet aangekeken. Sofie had mijn hand vastgepakt, maar haar vingers waren koud en stijf. Sindsdien is er altijd iets tussen ons blijven hangen. Iets wat ik niet kan benoemen, maar dat altijd aanwezig is, als een schaduw.
De oude man op het bankje kijkt me aan. ‘Ge moet niet altijd lopen, jongen. Soms moet ge gewoon blijven staan en wachten tot ge weet waar ge naartoe wilt.’ Ik knik, maar ik weet niet of ik hem begrijp. Mijn leven is een aaneenschakeling van gemiste kansen, van te laat komen, van wachten op iets wat nooit komt.
Plots denk ik aan mijn dochtertje, Emma. Ze woont bij haar moeder in Gent. Ik zie haar te weinig, altijd te druk, altijd onderweg. ‘Papa, waarom zijt ge altijd weg?’ vroeg ze laatst. Ik had geen antwoord. Misschien ben ik wel altijd op de vlucht, voor mezelf, voor mijn familie, voor de verwachtingen die ik nooit kan waarmaken.
De klok boven het perron tikt genadeloos verder. Het is bijna middernacht. Ik besluit Sofie te bellen. ‘Sofie, ik weet dat ik het weer verkloot heb. Maar ik wil het goedmaken. Echt waar. Geef mij nog één kans, alsjeblief.’
Aan de andere kant blijft het even stil. Dan zegt ze zacht: ‘Ge moet niet altijd alles goedmaken, Tom. Soms moet ge gewoon aanwezig zijn. Kom naar huis. Mama wacht op u.’
Ik voel tranen prikken achter mijn ogen. ‘Ik kom, Sofie. Ik kom eraan.’
De oude man staat op, pakt zijn zak en knikt me toe. ‘Iedereen wacht op iemand, jongen. Vergeet dat niet.’ Hij verdwijnt in de nacht, net als de trein eerder. Ik gooi mijn sigaret weg en kijk naar de lege rails. Misschien is het tijd om niet langer te wachten, maar gewoon te vertrekken, zelfs al ben ik te laat.
Terwijl ik het perron afloop, denk ik aan mama, aan Sofie, aan Emma. Aan alle keren dat ik te laat was, aan alle keren dat ik dacht dat niemand op mij wachtte. Maar misschien is er altijd wel iemand die wacht, zelfs als ge dat zelf niet meer gelooft.
‘Zou er ooit iemand zijn die écht op mij wacht? Of ben ik gewoon altijd te laat voor het leven zelf?’