Vergeet haar, jongen: Een leven tussen liefde en verlies in Gent

— Gij moogt haar vergeten, jongen. Echt waar, het is beter zo.

De stem van mijn moeder galmt nog na in de gang terwijl ik met trillende handen de voordeur achter me dichttrek. Het is amper zeven uur ’s ochtends en de stad Gent slaapt nog, maar in mijn hoofd woedt een storm. Mijn moeder staat daar, haar ogen rood van het wenen, haar jas slordig dichtgeknoopt. Ze kijkt me aan alsof ze me wil beschermen tegen de hele wereld, maar tegelijk voel ik dat ze iets voor me verbergt.

— Ma, wat is er gebeurd? Waarom zijt ge hier zo vroeg? vraag ik, mijn stem schor van de slaap en de angst.

Ze slikt. — Ze is weg, Adam. Ze is echt weg. En deze keer komt ze niet terug.

Mijn hart slaat een slag over. Ik weet meteen over wie ze het heeft: Lien. Mijn Lien, die ik sinds de lagere school ken, die altijd zei dat we samen oud zouden worden. Maar de laatste maanden was er iets veranderd. Ze was stiller, afwezig, alsof ze haar gedachten niet meer met mij kon delen.

Ik laat me op de trap zakken, mijn hoofd in mijn handen. — Hoe bedoelt ge, weg? Waar is ze naartoe?

Mijn moeder zucht diep en komt naast me zitten. — Haar moeder heeft gebeld vannacht. Lien heeft haar koffers gepakt en is vertrokken naar Brussel. Ze zegt dat ze tijd nodig heeft om na te denken. Over alles.

Alles. Dat woord blijft hangen. Alles betekent: over mij, over ons, over haar studies aan de UGent die ze plots stopzette, over haar vader die vorig jaar gestorven is aan kanker en waar ze nooit echt over sprak.

Mijn moeder legt haar hand op mijn schouder. — Adam, ge moet haar laten gaan. Ge kunt haar niet blijven achterna lopen.

Maar hoe laat je iemand los die je hele leven is geweest?

De dag sleept zich voort. Ik probeer te studeren voor mijn examens economie, maar elke keer als ik mijn cursus opensla, zie ik haar handschrift in de kantlijn: “Niet opgeven hé!”

’s Avonds zit ik aan tafel met mijn ouders en mijn jongere zusje Sofie. De sfeer is gespannen. Mijn vader zwijgt zoals altijd, zijn blik gefixeerd op het nieuws op Eén. Sofie prikt doelloos in haar puree.

— Ge moet niet doen alsof er niks aan de hand is, zegt Sofie plots. Ge zijt precies een geest vandaag.

Ik wil iets zeggen, maar mijn keel zit dichtgeknepen.

Mijn vader kijkt op van zijn bord. — Ge moet u herpakken, Adam. Het leven gaat voort. Ge kunt niet blijven treuren om een meisje dat u laat zitten.

— Papa! roept Sofie uit. Ge begrijpt er niks van!

Mijn moeder probeert te sussen: — Laat hem nu toch even met rust.

Ik storm naar boven en gooi mezelf op bed. Mijn gsm trilt: een bericht van Lien.

“Sorry dat ik zo ben weggegaan. Ik kan het hier niet meer aan. Ik moet mezelf terugvinden.”

Ik staar minutenlang naar het scherm. Wat betekent dat? Heeft ze iemand anders? Of is het gewoon allemaal te veel geworden? Ik denk terug aan onze laatste ruzie in het Citadelpark, toen ik haar vroeg waarom ze zo afstandelijk deed.

— Zeg het mij gewoon, Lien! Wat is er?

Ze keek weg, haar ogen vol tranen. — Ik weet het niet meer, Adam. Ik weet gewoon niet meer wie ik ben zonder papa.

En nu is ze weg.

De dagen worden weken. Ik probeer verder te gaan: lessen volgen aan de universiteit, werken in de bakkerij van mijn nonkel in Sint-Amandsberg om wat geld te verdienen. Maar alles voelt leeg zonder haar.

Op een avond komt mijn beste vriend Pieter langs met een sixpack Jupiler.

— Komaan gast, ge moet eens buiten komen. We gaan naar de Overpoort, wat pinten pakken en misschien wat nieuwe mensen leren kennen.

Ik trek mijn schouders op. — Wat heeft dat voor zin? Alles doet pijn.

Pieter zucht. — Ge kunt niet blijven hangen in het verleden, Adam. Ge zijt twintig jaar! Er zijn nog andere meisjes dan Lien.

Maar hij begrijpt het niet. Niemand begrijpt hoe diep die leegte snijdt.

Op familiefeestjes wordt er gefluisterd achter mijn rug. Mijn tante Marleen zegt tegen mijn moeder: — ’t Is toch erg hé, zo’n brave jongen en dan zo’n liefdesverdriet…

Mijn grootvader knikt ernstig: — In onze tijd moesten we gewoon voortdoen. Geen tijd voor drama.

Maar dit is geen drama voor mij; dit is alles wat ik ben kwijtgeraakt.

Op een dag krijg ik een brief van Lien uit Brussel. Haar handschrift trilt op het papier:

“Adam,
Ik weet dat ik je pijn doe door weg te blijven. Maar ik kan niet terugkomen zolang ik mezelf niet gevonden heb. Brussel is groot en anoniem; hier kan ik verdwijnen tussen de mensen en even vergeten wie ik was in Gent. Soms mis ik je zo hard dat het fysiek pijn doet, maar ik weet dat als ik nu terugkom, alles weer hetzelfde zal zijn en dat wil ik niet meer.
Zorg goed voor jezelf.
Lien.”

Ik huil voor het eerst sinds jaren. Niet om haar vertrek alleen, maar om alles wat nooit meer zal zijn: onze wandelingen langs de Graslei, frietjes halen bij Frituur Jozef op vrijdagavond, samen dromen over reizen naar Italië of Zweden.

Mijn moeder vindt me later die avond op het terras met rode ogen en een lege blik.

— Adam…

— Waarom doet het zo’n pijn, ma? Waarom kan ik haar niet gewoon vergeten?

Ze slaat haar armen om me heen zoals toen ik klein was en zegt zacht: — Omdat ge echt hebt liefgehad, jongen. En da’s nooit gemakkelijk om los te laten.

De maanden gaan voorbij. Ik slaag met moeite voor mijn examens en besluit een jaar te stoppen met studeren. Mijn vader is teleurgesteld; hij had gehoopt dat ik snel zou afstuderen en bij KBC zou gaan werken zoals hijzelf.

— Ge gooit uw toekomst weg voor een meisje dat u vergeten is! roept hij op een avond terwijl hij zijn krant neergooit.

— Het gaat niet alleen om Lien! roep ik terug. Ik weet gewoon niet meer wat ik wil!

Sofie probeert me te steunen door kleine briefjes achter te laten op mijn kamer: “Je bent sterker dan je denkt.”

Ik begin te werken als vrijwilliger bij een opvangcentrum voor jongeren met psychische problemen in Gentbrugge. Daar ontmoet ik mensen die nog veel meer verloren zijn dan ikzelf: Samira uit Antwerpen die thuis werd mishandeld; Jonas uit Aalst die zijn broer verloor aan drugs; Fatima uit Molenbeek die nergens welkom lijkt te zijn.

Langzaam besef ik dat verdriet universeel is, maar ook dat er altijd hoop is op herstel.

Op een dag sta ik aan het water van de Leie en kijk naar de zonsondergang boven de stad die ooit alles voor mij betekende. Mijn gsm trilt opnieuw: een bericht van Lien.

“Het spijt me dat ik je zoveel pijn heb gedaan. Ik hoop dat je gelukkig wordt, met of zonder mij.”

Ik glimlach flauwtjes en stuur terug: “Dank je, Lien. Ik wens jou hetzelfde.”

Misschien zal ik haar nooit helemaal vergeten, maar misschien hoeft dat ook niet. Misschien draait het leven net om leren loslaten en opnieuw beginnen.

En nu vraag ik me af: Hoeveel van ons dragen oude liefdes mee als littekens? Hoeveel van ons durven echt opnieuw beginnen?