De Koude Nacht van Liefde en Spijt
— Spijt? Je moogt geen spijt hebben, Lotte. Als hij u echt graag had gezien, had hij u nooit laten gaan. — De stem van mijn moeder galmt door de gang, terwijl ze met haar armen over elkaar in de deuropening staat. Haar ogen glijden over mijn dunne jurk. — En ge gaat zo naar buiten? Het vriest dat het kraakt!
Ik kijk haar aan, mijn handen trillend terwijl ik de linten van mijn jurk probeer recht te trekken. — Ik ga niet in een jeans naar Sofie haar verjaardag, mama. Het is maar tien minuten stappen. — Mijn stem klinkt schor, alsof ik elk moment kan breken.
Ze zucht diep, draait zich om en mompelt iets over koppige dochters. Ik hoor haar in de keuken rommelen, het geluid van borden die te hard op elkaar worden gezet. Mijn vader zit zoals altijd zwijgend in de zetel, zijn blik op het nieuws gericht, alsof hij niet merkt dat zijn dochter uit elkaar valt.
Buiten is het donker, de sneeuw kraakt onder mijn voeten als ik de straat op stap. Mijn adem vormt wolkjes in de lucht. Elke stap voelt zwaarder dan de vorige. In mijn hoofd speelt het gesprek met Thomas zich opnieuw af, als een kapotte plaat.
— Je moet me loslaten, Lotte. Het is beter zo. — Zijn stem was zacht geweest, bijna verontschuldigend. Maar zijn ogen waren koud, afstandelijk. Alsof ik nooit iets voor hem betekend had.
Ik slik de tranen weg en versnel mijn pas. De lichten van het huis van Sofie komen dichterbij. Binnen hoor ik gelach en muziek. Even twijfel ik of ik niet gewoon moet omdraaien, terug naar huis waar het veilig is, waar niemand vragen stelt.
Maar zodra ik binnenstap, word ik omringd door warmte en stemmen. Sofie vliegt me om de hals. — Lotte! Ge ziet er prachtig uit! — Haar enthousiasme is oprecht, maar ik voel me leeg. Ik glimlach flauwtjes en laat me meevoeren naar de woonkamer.
De avond sleept zich voort. Iedereen lijkt gelukkig, behalve ik. Ik vang flarden van gesprekken op over studies aan de UGent, stages in Brussel, plannen voor de zomerfestivals. Niemand vraagt waarom mijn ogen rood zijn of waarom ik zo stil ben.
Tot plots Pieter naast me komt zitten. — Alles oké met u? Ge zijt precies niet uzelf vanavond. —
Ik schud mijn hoofd. — Het is gewoon… Thomas heeft het uitgemaakt. —
Hij knikt begrijpend. — Hij is een eikel, Lotte. Ge verdient beter dan hem. —
Zijn woorden doen pijn, omdat ze waar zijn. Maar het maakt het niet makkelijker.
Later op de avond sta ik alleen op het terras, kijkend naar de besneeuwde tuin. Mijn vingers zijn gevoelloos van de kou, maar ik voel niets meer. De deur gaat open en Sofie komt naast me staan.
— Weet ge nog die zomer aan zee? Toen we met Thomas en Pieter in Oostende waren? — vraagt ze zacht.
Ik glimlach flauwtjes bij de herinnering aan die zorgeloze dagen vol zon en gelach.
— Alles leek toen zo simpel, hé? — zeg ik.
Sofie legt haar arm rond mijn schouders. — Ge komt hier wel door, Lotte. Maar ge moet het loslaten. Spijt helpt u niet vooruit.
Als ik later die nacht naar huis wandel, dwarrelen de sneeuwvlokken zacht op mijn haar en schouders. De stad is stil, alleen mijn voetstappen weerklinken in de lege straten van Gent.
Thuis brandt er nog licht in de keuken. Mijn moeder zit aan tafel met een kop thee, haar gezicht getekend door zorgen.
— Kom hier, meisje, — zegt ze zachtjes en ze schuift een stoel naar achteren.
Ik ga zitten en staar naar mijn handen.
— Waarom doet het zo’n pijn als iemand u verlaat? — fluister ik.
Ze legt haar hand op de mijne. — Omdat ge graag hebt gezien. Maar ge moogt geen spijt hebben van liefde, Lotte. Spijt is voor dingen die ge niet geprobeerd hebt.
Ik knik langzaam en voel eindelijk de tranen komen die ik al uren heb tegengehouden.
De volgende ochtend is alles anders en toch hetzelfde. Mijn vader leest zijn krant, mijn moeder zet koffie en ik probeer te doen alsof alles normaal is.
Maar binnenin woedt er een storm die niemand ziet.
Op school merk ik dat mensen fluisteren als ik voorbijloop. Thomas heeft blijkbaar al een nieuw lief; ze heet Annelies en zit bij mij in de klas Frans. Tijdens de les voel ik haar blik branden in mijn rug.
In de pauze komt ze naast me staan bij de automaat.
— Sorry van Thomas… Ik wist niet dat jullie nog samen waren, — zegt ze ongemakkelijk.
Ik haal mijn schouders op en probeer sterk te lijken. — Het is oké. Hij doet wat hij wil.
Maar als ze wegloopt voel ik hoe een golf van jaloezie en verdriet me overspoelt.
Thuis probeer ik met mijn moeder te praten, maar zij heeft haar eigen zorgen: geldproblemen, ruzie met haar zus over de erfenis van bomma, mijn broer die weer eens te laat thuis was na een nacht stappen in de Overpoort.
— Ge moet leren loslaten, Lotte. Iedereen heeft zijn eigen miserie, — zegt ze terwijl ze aardappelen schilt.
’s Avonds hoor ik mijn ouders ruziën over geld; papa zijn job bij ArcelorMittal staat op de tocht door herstructureringen.
Ik voel me schuldig dat ik zo opgeslorpt ben door mijn eigen verdriet terwijl er thuis zoveel misloopt.
Op een dag kom ik thuis en vind ik mama huilend aan tafel; papa is zijn job kwijt.
— Alles valt uit elkaar, — snikt ze.
Ik ga naast haar zitten en neem haar hand vast.
— We komen hier samen wel door, mama,
— zeg ik zachtjes.
Die nacht lig ik wakker in bed en denk aan alles wat geweest is: Thomas, familiefeestjes vol ruzie over politiek tussen nonkels uit Antwerpen en Leuven, mama die altijd alles probeert samen te houden terwijl ze zelf bijna breekt.
Plots besef ik dat spijt geen zin heeft; dat liefde altijd pijn zal doen maar ook kracht geeft om verder te gaan.
En toch vraag ik me af: kunnen we ooit echt loslaten wat ons gevormd heeft? Of blijven we altijd verlangen naar wat had kunnen zijn?