Gestolen jaren: Het verhaal van Els uit een Gentse sociale woonwijk
‘Waarom liggen die schoenen hier? Die zijn niet van Jan…’ Mijn hart bonkt in mijn keel terwijl ik de deur zachtjes achter me dichttrek. Het is een grijze dinsdagavond in maart, de regen tikt tegen de ramen van onze flat in de Rabotwijk in Gent. Mijn handen trillen als ik mijn jas ophang. In de keuken hoor ik gelach – een vrouwenstem, onbekend, warm en luid. Mijn man Jan lacht mee. Ik voel hoe mijn maag samentrekt.
‘Els? Zijt gij daar?’ roept Jan. Zijn stem klinkt opgewekt, alsof alles normaal is. Maar niets is normaal. Niet vandaag. Niet na alles wat ik heb opgeofferd.
Ik stap de keuken binnen. Jan zit aan tafel met een vrouw die ik nog nooit gezien heb. Ze heeft kort, rood haar en draagt een felgroene trui. Op tafel staan twee glazen wijn en een halflege doos pralines van Leonidas – die had ik speciaal gekocht voor onze trouwverjaardag, morgen.
‘Ah, Els! Dit is Sofie, een collega van mij van op het werk,’ zegt Jan, iets te snel. Sofie steekt haar hand uit, maar ik negeer haar. Mijn blik blijft hangen op Jans hand die op haar knie rust.
‘Wat gebeurt hier?’ vraag ik, mijn stem breekt.
Jan haalt zijn hand weg en kijkt naar de grond. ‘Els, we moeten praten.’
Mijn hoofd duizelt. Ik denk aan de afgelopen jaren: hoe ik mijn job als verpleegster opgaf om voor onze zoon Bram te zorgen toen hij met depressies kampte, hoe ik mijn moeder elke dag naar het ziekenhuis bracht voor haar chemo, hoe Jan altijd zei dat hij het waardeerde – maar nooit echt aanwezig was.
‘Ik… Ik kan dit niet meer,’ zegt Jan zacht. ‘Ik voel mij leeg bij u. Sofie en ik… we hebben iets gevonden wat wij kwijt waren.’
Sofie kijkt ongemakkelijk weg. Ik voel woede opborrelen, maar ook verdriet. Alles waarvoor ik gevochten heb, lijkt plots zinloos.
‘En Bram dan? En ons gezin? Gewoon weggooien?’ Mijn stem trilt.
Jan zucht diep. ‘Bram is volwassen nu. Hij moet zijn eigen weg zoeken. En gij ook, Els.’
Ik loop naar de slaapkamer en sla de deur achter me dicht. Tranen stromen over mijn wangen terwijl ik naar de vergeelde foto’s op het nachtkastje staar: Bram als kleine jongen op het strand van Oostende, mama met haar sjaaltje na de chemo, Jan en ik op onze trouwdag in het stadhuis van Gent.
Die nacht slaap ik niet. Ik hoor Jan en Sofie fluisteren in de keuken, hun stemmen als messen in mijn hart. Rond drie uur ’s nachts hoor ik de voordeur dichtslaan. Stilte.
De volgende ochtend zit Bram aan de ontbijttafel. Zijn ogen zijn rood van het wenen. ‘Papa heeft alles verteld,’ zegt hij zacht.
‘Het spijt me zo, Bram,’ fluister ik.
Hij schudt zijn hoofd. ‘Het is niet uw schuld, mama.’
We zitten samen in stilte, terwijl buiten de stad langzaam ontwaakt. Trams ratelen voorbij, kinderen roepen op het plein beneden. Maar binnen lijkt alles stil te staan.
De dagen erna zijn een waas van telefoontjes – Jan die zijn spullen komt halen, familieleden die roddelen (‘Hebt ge het gehoord van Els en Jan?’), vrienden die niet weten wat te zeggen. Mijn moeder belt elke dag: ‘Elsje, ge moet sterk zijn.’ Maar haar stem klinkt zwak; ze is zelf zo broos geworden sinds de kanker terug is.
Op een avond zit ik alleen in de woonkamer als er op de deur geklopt wordt. Het is mijn zus Katrien.
‘Els, ge moet hier niet alleen door,’ zegt ze terwijl ze me stevig vastpakt.
‘Ik weet niet meer wie ik ben zonder Jan… zonder ons gezin,’ snik ik.
Katrien kijkt me recht aan. ‘Ge zijt Els Van den Bossche uit Gent. Ge hebt altijd voor iedereen gezorgd. Nu is het tijd dat ge voor uzelf zorgt.’
Maar hoe doe je dat als je hele leven om anderen draaide?
De weken slepen voorbij. Ik probeer werk te vinden als verpleegster, maar mijn cv is oud en de zorgsector is overbevraagd sinds corona. Op een dag krijg ik telefoon van het OCMW: ‘Mevrouw Van den Bossche, we kunnen u voorlopig enkel een deeltijdse job aanbieden in het woonzorgcentrum.’
Ik neem aan – wat moet ik anders? De eerste dag sta ik bibberend aan het bed van mevrouw De Smet, een oude vrouw met Alzheimer die denkt dat ik haar dochter ben.
‘Marie? Zijt gij dat?’ vraagt ze met grote ogen.
‘Nee mevrouw, ik ben Els,’ zeg ik zacht.
Ze pakt mijn hand vast en glimlacht flauwtjes. ‘Blijf bij mij.’
Die woorden raken me dieper dan verwacht. Misschien ben ik niet meer iemands vrouw of iemands moeder zoals vroeger, maar hier kan ik toch nog iets betekenen voor iemand anders.
Toch blijft het zwaar. De avonden zijn het ergst – als het donker wordt in de flat en de stilte oorverdovend is. Soms denk ik aan vroeger: hoe Jan en ik samen naar De Gentenaar lazen op zondagmorgen, hoe Bram als kind tegen me aan kroop na een nachtmerrie, hoe mama me leerde stoofvlees maken zoals haar moeder het deed.
Op een dag belt Bram: ‘Mama, kom eens mee naar mijn appartementje in Sint-Amandsberg? Ik heb spaghetti gemaakt.’
Ik glimlach door mijn tranen heen. ‘Graag, jongen.’
Bij hem thuis ruikt het naar tomatensaus en basilicum. We eten samen en praten over kleine dingen – werk, voetbal, de verkiezingen (‘Zult ge stemmen op Groen of Vooruit dit jaar?’). Voor het eerst sinds lang voel ik me weer een beetje thuis.
Na het eten vraagt Bram: ‘Mama… Gaat het echt met u?’
Ik slik even voor ik antwoord: ‘Het gaat… elke dag een beetje beter.’
Bram knikt en legt zijn hand op de mijne. ‘Ge zijt sterker dan ge denkt.’
’s Avonds wandel ik terug naar huis langs de Leie. De stad glinstert in het licht van de lantaarns; mensen lachen op terrasjes ondanks de kille wind. Ik adem diep in en voel voor het eerst sinds maanden iets wat lijkt op hoop.
Maar soms vraag ik me af: hoeveel kan een mens verliezen voor ze zichzelf helemaal kwijt is? En hoe vind je jezelf terug als alles wat je kende verdwenen is? Misschien hebben jullie daar wel een antwoord op…