De Onzichtbare Vrouw: Mijn Leven als Katrien Van Damme

‘Katrien, waar liggen mijn sleutels nu weer?’ De stem van mijn man, Bart, galmt door het huis. Ik sta in de hal, mijn handen trillend terwijl ik mijn haar nog eens gladstrijk. Mijn nieuwe jurk – donkerblauw, sober maar stijlvol – zit als gegoten. Mijn hakken tikken zenuwachtig op de tegelvloer. ‘In je jaszak, Bart. Zoals altijd,’ antwoord ik, maar hij luistert niet. Hij luistert nooit echt.

Vanavond is het weer zo ver: een etentje met zijn collega’s van het notariskantoor in Gent. Altijd dezelfde mensen, altijd dezelfde gesprekken over dossiers, voetbal en politiek. En ik? Ik ben er om te glimlachen, te knikken en vooral niet te veel op te vallen. ‘De vrouw van Bart,’ noemen ze mij. Nooit gewoon Katrien.

Mijn dochter Lotte kijkt me aan vanop de trap. ‘Mama, waarom doe je altijd zo je best voor papa’s werk?’ Haar stem is zacht, maar haar blik snijdt diep. Ik weet niet wat ik moet antwoorden. ‘Omdat het belangrijk is voor papa,’ zeg ik uiteindelijk, maar zelfs voor mezelf klinkt het hol.

In de auto is het stil. Bart tuurt op zijn gsm, zijn duim razendsnel over het scherm. ‘Kun je niet even stoppen met werken?’ probeer ik voorzichtig. Hij zucht. ‘Katrien, dit is belangrijk. Je weet hoe het gaat.’

Aan tafel in het restaurant schuif ik ongemakkelijk op mijn stoel. De mannen lachen luid, hun vrouwen knikken braafjes mee. Tussen de gangen door vang ik flarden op van gesprekken over vastgoedprijzen in Antwerpen en de nieuwste Tesla van collega Jan. Niemand vraagt naar mij, naar mijn werk als leerkracht in het lager onderwijs, naar mijn dromen of angsten.

Plots buigt Bart zich naar mij toe. ‘Katrien, kun je even wijn bijschenken?’ Ik voel hoe mijn gezicht rood wordt. Ik ben geen serveerster, wil ik roepen, maar ik glimlach flauwtjes en vul de glazen bij.

Na het dessert trekt Sofie, de vrouw van Jan, me mee naar het toilet. ‘Zeg Katrien, hoe doe jij dat toch? Altijd zo rustig blijven naast Bart? Jan kan soms zo’n eikel zijn.’ Ze lacht schamper. Ik weet niet wat te zeggen. ‘Je went eraan,’ mompel ik.

Thuisgekomen ligt Lotte nog wakker. Ze wacht op mij in haar pyjama met konijntjes. ‘Mama, ben je gelukkig?’ vraagt ze plots. Haar vraag overvalt me. Ben ik gelukkig? Wanneer ben ik dat eigenlijk kwijtgeraakt?

De dagen daarna sluipt er iets nieuws in mij binnen: een gevoel van leegte, maar ook van woede. Op school merk ik dat ik sneller uitvlieg tegen de kinderen. Mijn collega Els spreekt me aan in de leraarskamer. ‘Katrien, gaat het wel?’

’s Avonds probeer ik met Bart te praten. ‘Bart, voel jij je eigenlijk nog gelukkig met mij?’ Hij kijkt verbaasd op van zijn laptop. ‘Wat bedoel je nu weer? Alles gaat toch goed? We hebben een mooi huis, een slimme dochter…’

‘Ja, maar… Ik voel me soms zo onzichtbaar.’ Mijn stem breekt.

Hij zucht diep en draait zich om naar het scherm. ‘Katrien, je moet niet zo moeilijk doen.’

Die nacht lig ik wakker naast hem. Zijn rug naar mij toe, zijn ademhaling zwaar en onverschillig. Ik denk aan vroeger, aan onze studententijd in Leuven, toen hij me nog aankeek alsof ik de enige vrouw ter wereld was.

Op een zaterdagmiddag ga ik met Lotte naar de markt in Lokeren. We lachen samen om de marktkramer die haar een appel aanbiedt en voor het eerst in maanden voel ik me licht. Lotte kijkt me aan en zegt: ‘Mama, zo wil ik jou altijd zien.’

Die avond besluit ik iets te veranderen. Ik schrijf een brief aan Bart:

‘Lieve Bart,
Ik weet niet of je beseft hoe vaak ik mezelf verlies in jouw leven. Ik wil niet langer alleen “de vrouw van” zijn. Ik wil Katrien zijn – met dromen, fouten en verlangens.’

Ik leg de brief op zijn kussen en ga slapen bij Lotte op haar kamer.

De volgende ochtend vind ik Bart in de keuken, de brief in zijn hand. Zijn ogen zijn rood.

‘Katrien… Waarom heb je niets gezegd?’ fluistert hij.

‘Ik heb het geprobeerd,’ zeg ik zacht.

Er volgt een lange stilte waarin alles mogelijk lijkt – een nieuw begin of het einde van ons verhaal.

Maanden gaan voorbij. We gaan samen naar relatietherapie in Sint-Niklaas. Soms lijkt het alsof we dichter bij elkaar komen; soms voel ik de afstand groeien.

Op een dag zegt Lotte: ‘Mama, papa lacht weer meer.’ En inderdaad: er is iets veranderd. We praten meer – over kleine dingen, over grote dromen.

Toch blijft er iets knagen: wie ben ik zonder Bart? Wie ben ik als niemand kijkt?

Op een avond zit ik alleen op het terras met een glas wijn en kijk naar de ondergaande zon boven de velden van Oost-Vlaanderen.

Was dit nu alles wat het leven voor mij in petto had? Of is er nog tijd om mezelf terug te vinden?

Misschien ben ik niet langer alleen “de vrouw van” – misschien ben ik eindelijk Katrien.

Wat denken jullie: kan iemand zichzelf terugvinden na jaren onzichtbaar te zijn geweest? Of blijft er altijd iets verloren?