Regen op weg naar geluk

‘Lotte, ge kunt niet blijven weglopen!’ De stem van mijn moeder galmt nog na in mijn hoofd terwijl ik de deur achter mij dichttrek. De regen slaat als kleine naalden tegen mijn gezicht. Mijn jas is te dun voor deze gure oktoberavond, maar ik kan het huis niet langer verdragen. ‘Altijd hetzelfde liedje met u,’ had ze geroepen, haar handen trillend rond haar koffietas. ‘Ge zijt dertig, Lotte! Wanneer gaat ge eindelijk uw leven op orde krijgen?’

Ik loop door de natte straten van Gent, langs de grijze gevels die druipen van het water. Mijn schoenen soppen bij elke stap. Ik denk aan het telefoontje van deze ochtend: ‘Mevrouw Van den Bossche, we moeten u helaas ontslaan. De besparingen…’ Mijn stem stokte toen ik probeerde te antwoorden. Na vijf jaar in de boekhandel was ik plots niemand meer. Geen collega’s, geen routine, geen reden om ’s ochtends op te staan.

De regen wordt heviger. Ik duw de deur open van de nachtwinkel op de hoek van de Sleepstraat. Binnen is het warm en ruikt het naar vers brood en kruiden. Ik blijf even staan, mijn adem zwaar. Achter de toonbank kijkt Samir me aan, zijn wenkbrauwen opgetrokken. ‘Alles oké, Lotte?’ vraagt hij zacht.

‘Gewoon… nat,’ mompel ik. Maar hij ziet meer dan dat. Hij kent me al jaren, weet dat ik altijd lach als ik binnenkom. Vandaag niet.

Ik dwaal tussen de rekken. Mijn handen trillen als ik een pak spaghetti neem. In mijn hoofd echoot het stemgeluid van mijn moeder: ‘Ge had een diploma kunnen halen, Lotte! Maar nee, altijd koppig, altijd uw eigen goesting.’

Plots hoor ik achter me een stem: ‘Lotte? Zijt gij dat?’ Het is mijn zus Sofie, met haar perfecte kapsel en haar dochtertje Noor aan de hand. Noor kijkt me aan met grote ogen. ‘Tante Lotte!’ roept ze en springt in mijn armen. Ik voel haar warme lijfje tegen me aan en slik de tranen weg.

‘Alles goed?’ vraagt Sofie, haar blik kritisch. Ze weet het al – mama heeft haar vast gebeld. ‘Ja hoor,’ lieg ik. ‘Gewoon druk.’

Sofie zucht. ‘Mama maakt zich zorgen. Ge moet haar niet zo laten schrikken.’

‘Ik heb gewoon wat tijd nodig,’ zeg ik zacht.

‘Ge zijt altijd zo alleen, Lotte…’

Ik draai me om en loop naar de kassa. Samir glimlacht flauwtjes terwijl hij mijn boodschappen scant. ‘Sterkte, hé,’ fluistert hij.

Buiten is het donkerder geworden. De regen lijkt niet te willen stoppen. Ik loop doelloos door de stad, langs het water van de Leie dat zwart glinstert in het schijnsel van de lantaarns. Mijn gedachten razen: hoe moet het nu verder? Geen werk, geen partner, geen kinderen – alleen een kamer in een huis waar ik me niet welkom voel.

Thuis tref ik mama aan in de keuken, haar ogen rood van het huilen. ‘Lotte…’ begint ze, maar ik loop zwijgend naar boven. Op mijn kamer staar ik naar het plafond terwijl de regen tegen het raam tikt.

Die nacht droom ik van papa. Hij stierf drie jaar geleden aan kanker en sindsdien is alles veranderd. In mijn droom zit hij aan tafel met een kop koffie en zegt: ‘Lotteke, ge moet niet bang zijn om te vallen. Maar ge moet wel weer opstaan.’

’s Ochtends word ik wakker met een zwaar hoofd. Ik hoor mama beneden bellen – vast met Sofie – en besluit te gaan wandelen in het Citadelpark. De bomen zijn kaal, hun bladeren liggen als natte lappen op het pad. Ik ga op een bankje zitten en kijk naar spelende kinderen in regenjassen.

Een oude man schuifelt voorbij met zijn hondje en knikt vriendelijk. ‘Mooie dag voor wie van regen houdt,’ zegt hij lachend.

Ik glimlach flauwtjes terug en denk aan vroeger, toen papa me meenam naar dit park om kastanjes te rapen.

Mijn gsm trilt: een berichtje van Sofie. ‘Kom je straks eten? Noor vraagt naar je.’

Ik twijfel even maar stuur dan: ‘Oké.’

’s Avonds zit ik aan tafel bij Sofie thuis in Sint-Amandsberg. Haar man Bart praat over zijn werk bij Volvo Trucks, Noor tekent een regenboog op een servet en Sofie schept soep op in mijn bord.

‘Ge moet iets zoeken om u bezig te houden,’ zegt ze plots.

‘Wat dan?’ vraag ik.

‘Vrijwilligerswerk? Of misschien terug studeren?’

Ik zucht diep. ‘Ik weet het niet meer, Sofie… Alles lijkt zo zinloos.’

Noor kijkt op en zegt: ‘Tante Lotte, ge moogt altijd bij mij komen spelen!’

Ik glimlach en voel iets warms in mijn borst.

De dagen worden weken. Ik solliciteer overal – supermarkt, bibliotheek, zelfs bij een bakkerij – maar telkens krijg ik hetzelfde antwoord: ‘We zoeken iemand met ervaring.’ Of: ‘We hebben al iemand gevonden.’

Mama wordt ongeduldiger. ‘Ge kunt hier niet blijven zitten tot ge veertig zijt!’ roept ze op een avond.

‘En waar moet ik dan naartoe?’ schreeuw ik terug.

Ze barst in tranen uit en zegt: ‘Ik wil alleen dat ge gelukkig zijt.’

Op een dag vind ik in de brievenbus een kaartje van Samir uit de nachtwinkel: ‘Voor als het even niet meer gaat – kom gerust langs voor thee.’

Ik besluit langs te gaan. Samir schenkt muntthee in en luistert zonder te oordelen terwijl ik vertel over mijn angsten en verdriet.

‘Iedereen heeft wel eens pech,’ zegt hij zacht. ‘Maar ge zijt sterker dan ge denkt.’

Langzaam begin ik weer te ademen.

Op een regenachtige zondag vraagt Sofie of ik met Noor naar de kinderboerderij wil gaan. Terwijl Noor lacht tussen de geitjes, voel ik voor het eerst sinds maanden iets van hoop.

Die avond schrijf ik me in voor een cursus fotografie aan het volwassenenonderwijs in Gentbrugge. Het is eng – tussen onbekenden zitten – maar ook bevrijdend.

De weken vullen zich met nieuwe gezichten, gesprekken over licht en schaduw, wandelingen door natte straten met mijn camera in de hand.

Op een dag vraagt mama of ze mee mag naar mijn eerste fototentoonstelling in het buurtcentrum.

Ze kijkt naar mijn foto’s – beelden van Gent in de regen, reflecties in plassen, mensen onder paraplu’s – en zegt zacht: ‘Ge hebt altijd al anders gekeken dan anderen.’

Ik glimlach door mijn tranen heen.

Het leven is nog steeds moeilijk – geldzorgen, onzekerheid over morgen – maar ergens onderweg heb ik geleerd dat geluk soms begint met natte voeten en een vriendelijk woord.

En nu vraag ik mij af: hoeveel mensen lopen er rond met hun verdriet verborgen onder hun jas? Wie durft er nog echt te zeggen hoe het gaat? Misschien moeten we vaker gewoon vragen: “Alles oké?”