Taart en andere ontgoochelingen
‘Helena, ge zijt weer veel te vroeg begonnen. Ge weet toch dat Kasia pas om vier uur thuis is?’
De stem van mijn man, Luc, klinkt van boven aan de trap. Ik hoor het lichte verwijt in zijn woorden, maar ik negeer het. Mijn handen zijn wit van de bloem, mijn polsen doen pijn van het kloppen. Ik kijk naar de klok: half negen. Nog zeven uur tot Kasia’s achttiende verjaardag begint. Nog zeven uur om alles goed te maken.
‘Laat mij gewoon doen, Luc,’ zeg ik zacht, zonder op te kijken. ‘Het moet perfect zijn vandaag.’
Hij zucht en verdwijnt weer naar boven. De stilte in de keuken is zwaar. Ik voel de spanning in mijn schouders, alsof elk klopje room een stukje van mijn schuldgevoel weg zou kunnen slaan. Achttien jaar geleden lag ik hier ook, zwetend boven een wiegje, bang dat ik het niet goed zou doen. Nu sta ik hier opnieuw, bang dat ik haar voorgoed kwijt ben.
De mixer zoemt, de geur van vanille vult de ruimte. Mijn gedachten dwalen af naar gisterenavond. Kasia kwam laat thuis, haar jas ruikend naar sigarettenrook en goedkope parfum. Ze zei amper iets. Haar blik was koud, haar mond een dunne streep.
‘Waar waart ge?’ vroeg ik toen.
‘Bij vrienden,’ antwoordde ze kortaf.
‘Welke vrienden?’
Ze rolde met haar ogen. ‘Ma, ik ben geen kind meer.’
Ik slikte mijn antwoord in. Ik wilde zeggen dat ze altijd mijn kind zou blijven, maar ik wist dat ze dat niet wou horen.
Nu probeer ik het goed te maken met een taart. Drie lagen biscuit, luchtig als wolken. Vanillecrème, verse frambozen uit de tuin van mijn moeder in Sint-Niklaas, dunne slierten Belgische chocolade. Alles moet perfect zijn. Misschien kan ik zo tonen hoeveel ik van haar hou.
Mijn moeder belt om tien uur. Haar stem klinkt scherp door de telefoon.
‘Helena, ge moet niet altijd zo overdrijven met die taarten. Een gewone cake was ook goed geweest.’
‘Het is haar achttiende verjaardag, ma,’ zeg ik zacht.
‘Ja, ja. Maar ge weet toch dat ge haar niet kunt vasthouden met suiker en bloem.’
Ik bijt op mijn lip. Mijn moeder heeft altijd gelijk gehad, maar nooit op de manier waarop ik het nodig had.
Luc komt weer binnen, nu aangekleed en met zijn krant onder de arm.
‘Zijt ge zeker dat Kasia dit wil? Ze heeft gisteren gezegd dat ze niet veel volk wil.’
‘Het is familie,’ zeg ik koppig. ‘En haar beste vriendin komt ook.’
Luc schudt zijn hoofd en verdwijnt naar het salon. Ik hoor hem zuchten als hij gaat zitten. We praten al maanden langs elkaar heen, als twee vreemden die toevallig onder hetzelfde dak wonen.
De uren kruipen voorbij. De taart staat in de oven, het huis ruikt naar gebakken hoop en oude teleurstellingen. Ik dek de tafel met het goede servies van mijn grootmoeder – porselein met blauwe randjes, alleen voor speciale gelegenheden.
Om half vier komt mijn zus binnen met haar man en hun twee kinderen. Ze kussen me vluchtig op de wang.
‘Helena, ge ziet er moe uit,’ zegt mijn zus.
‘Het is gewoon een drukke dag,’ antwoord ik.
Ze kijkt me aan met die blik die alles zegt: ge maakt u weer veel te druk.
Om vier uur precies hoor ik de voordeur dichtslaan. Kasia staat in de gang, haar jas over haar arm geslagen. Haar ogen zijn rood omrand.
‘Proficiat, schat,’ zeg ik voorzichtig.
Ze knikt kort en loopt naar boven zonder iets te zeggen.
Mijn zus trekt haar wenkbrauwen op. ‘Pubers,’ fluistert ze tegen haar man.
Ik voel hoe mijn wangen gloeien van schaamte en verdriet.
De familie verzamelt zich in de woonkamer. Mijn moeder arriveert als laatste, haar wandelstok tikkend op de tegels.
‘Waar is Kasia?’ vraagt ze streng.
‘Ze komt zo,’ lieg ik.
Ik loop naar boven en klop op haar deur.
‘Kasia? Kom je mee? Iedereen wacht op u.’
Er volgt een lange stilte. Dan hoor ik haar stem, dof door het hout:
‘Ik wil niet naar beneden.’
Mijn hart krimpt samen. ‘Schatje, het is uw verjaardag…’
‘Laat mij gewoon met rust!’
Ik blijf nog even staan, hopend dat ze zich bedenkt. Maar er gebeurt niets.
Beneden probeer ik te glimlachen terwijl we koffie drinken en wachten op het moment dat Kasia zich laat zien. Mijn moeder kijkt me streng aan.
‘Ge moet haar loslaten, Helena.’
Ik knik zwijgend en snijd de taart aan zonder applaus of kaarsjes. Iedereen eet beleefd een stukje, maar niemand zegt iets over hoe mooi of lekker het is.
Na een uur sluipt Kasia toch naar beneden. Haar ogen zijn nog steeds rood.
‘Wil je een stukje taart?’ vraag ik voorzichtig.
Ze schudt haar hoofd en pakt een blikje cola uit de koelkast.
Mijn moeder zucht luidop. ‘In onze tijd…’ begint ze, maar Luc onderbreekt haar:
‘Laat het nu maar.’
Kasia kijkt me aan met een blik die ik niet kan lezen – boosheid? Verdriet? Of gewoon onverschilligheid?
Na het eten verdwijnen de gasten snel. Mijn zus kust me vluchtig op de wang:
‘Het komt wel goed, Helena.’
Maar ik weet dat ze dat niet gelooft.
Als iedereen weg is, zit ik alleen aan tafel met een half opgegeten taart voor me. Luc ruimt zwijgend af; Kasia zit boven op haar kamer met haar muziek veel te luid.
Ik denk aan vroeger – aan hoe ze als kleuter altijd bij mij op schoot kroop als ze verdrietig was; aan hoe ze me nu ontwijkt alsof ik besmettelijk ben.
Luc komt naast me zitten en legt zijn hand op de mijne.
‘Ge hebt uw best gedaan,’ zegt hij zacht.
Ik knik, maar het voelt niet zo.
Later die avond klop ik opnieuw op Kasia’s deur. Ze doet open en kijkt me aan met natte ogen.
‘Sorry, ma,’ fluistert ze. ‘Het is gewoon allemaal te veel.’
Ik trek haar in mijn armen en voel hoe ze trilt van verdriet en opluchting tegelijk.
‘Het spijt mij ook,’ zeg ik zacht. ‘Ik wil gewoon dat ge gelukkig zijt.’
We blijven zo staan tot haar ademhaling rustiger wordt.
Die nacht lig ik wakker in bed en denk na over alles wat er misliep – over verwachtingen die nooit werden uitgesproken, over liefde die soms verstikt in plaats van troost biedt.
Misschien kan een taart geen wonden helen. Misschien moet liefde soms gewoon stil zijn en wachten tot de ander klaar is om terug te komen.
Zou het ooit genoeg zijn? Of blijven we altijd zoeken naar manieren om elkaar te bereiken?