“Ge zijt precies de enige die nog moeite doet”: hoe ik besefte dat mijn oudste vriendin mij alleen nog belde als ze iets nodig had

“Ge kunt toch vrijdagavond op Lowie passen?” Dat was letterlijk het eerste wat Hanne zei toen ze mij belde. Geen hallo, geen “hoe is’t”, niks. Gewoon direct dat.

Ik stond in de Colruyt in Sint-Niklaas met een halfvolle kar en ik voelde het meteen weer komen, zo’n steek van ergernis waar ge u schuldig over voelt nog voor ge iets gezegd hebt.

Ik zei: “Amai Hanne, ook hallo. Met mij ook goed trouwens.”

Ze zweeg heel even. “Ja, sorry, ’t is hier chaos. Ik moet vrijdag naar het UZA met mijn ma en Jeroen heeft late ploeg in de haven. Ge weet hoe dat is.”

En ja. Ik wéét hoe dat is. Of ja, ik dénk dat ik dat weet. Wij kennen elkaar sinds het vierde middelbaar in Lokeren. Samen op de bus, samen spieken voor economie, samen op kot in Gent in het eerste jaar. Zij was de meter van mijn dochter. Ik ben getuige geweest op haar trouw in het stadhuis van Beveren. Dat soort vriendin dus. Of dat dacht ik toch altijd.

Alleen… de laatste twee jaar was ik precies een soort reservewiel geworden. Ze stuurde als ze opvang nodig had, of iemand die rap naar de apotheek kon, of als ze haar hart moest luchten over Jeroen, haar schoonmoeder, haar werk in het woonzorgcentrum. Maar als ík iets stuurde, dan was het uren stil. Of dagen. Mijn scheiding vorig jaar? Ze is één keer langs geweest met koffiekoeken van de bakker en daarna vooral voiceberichten gestuurd met “sorry seg, zo druk”.

Dus ik zei in die Colruyt, tussen de yoghurt en de charcuterie: “Nee Hanne. Vrijdag gaat niet. En eerlijk? ’t Gaat eigenlijk al een tijd niet, zo tussen ons.”

Ze werd direct ijskoud. “Serieus? Nu? Omdat ik u iets vraag?”

“Nee, niet daarom. Of ja, ook wel daarom. Gij belt mij alleen nog als ge iets nodig hebt. Ik heb precies het gevoel dat ik niet meer besta als mens, alleen nog als oplossing.”

Ik hoorde haar ademen. Dan zei ze: “Da’s echt lelijk, Ellen. Echt lelijk. Ge weet totaal niet wat hier allemaal speelt.”

Ik was kwaad en gekwetst tegelijk, zo’n slechte combinatie. “Dan moet ge mij misschien eens iets vertellen in plaats van mij alleen te contacteren als uw vaste crèche uitvalt.”

Ze hing op.

Ik stond daar echt te trillen. Een vrouw naast mij pakte boter en keek alsof ik net iemand ontslagen had. Ik heb mijn kar gewoon laten staan en ben naar buiten gegaan.

Die avond kreeg ik een bericht van Jeroen. Niet van Hanne. Van hem.

“Ge had misschien iets meer geduld mogen hebben. Haar ma heeft geen gewone controle.”

Meer stond er niet.

Ik heb dat bericht denk ik twintig keer gelezen. Ik wist wel dat haar ma sukkelde, iets met haar borst, maar Hanne had altijd gedaan alsof het onder controle was. “Ze volgen dat op”, zei ze dan. Meer niet.

Ik heb nog geschreven: “Wat bedoel je?” Geen antwoord.

De volgende dag belde mijn zus Sarah en zei ze: “Ik heb Hanne gezien aan AZ Nikolaas. Die was precies kapot. Is daar iets gebeurd?”

Toen voelde ik mij direct de grootste egoïst van Oost-Vlaanderen. Ik heb Hanne wel vijf keer proberen bellen. Niks.

Twee dagen later stond ze zelf aan mijn deur in Temse, zonder makeup, in jogging, ogen dik van het wenen. Lowie zat in de auto te slapen.

Ze zei: “Ik kom niet voor ruzie maken. Ik wil gewoon dat ge snapt waarom ik u niet meer kan verdragen de laatste tijd.”

Dat kwam binnen, amai.

We zijn aan mijn keukentafel gaan zitten. Zij met een tas koffie waar ze niet van dronk, ik met mijn maag volledig in de knoop.

“Mijn ma heeft uitzaaiingen,” zei ze. “Al sinds februari. Niet sinds vorige week. Sinds februari.”

Ik wist even niks te zeggen. Echt niks.

“Waarom hebt ge dat niet gezegd?” vroeg ik uiteindelijk.

Ze lachte zo kort, bitter. “Omdat ge zelf midden in uw scheiding zat en ik het al niet meer trok. Omdat iedereen altijd iets nodig heeft. Mijn ma heeft zorg nodig, Lowie aandacht, Jeroen is nooit thuis, op mijn werk vallen collega’s uit en gij… gij wilde ook nog dat ik de goede vriendin speelde. Ik kon dat niet meer.”

Dat deed pijn, omdat er iets waar in zat en tegelijk ook iets oneerlijks.

Ik zei: “Ik vroeg niet dat ge toneel speelde. Ik wilde gewoon dat ge mij niet alleen gebruikte.”

“Gebruikte?” zei ze. “Ellen, ge waart de enige bij wie ik nog durfde vragen om iets praktisch. Bij de rest moest ik sterk doen. Bij u dacht ik dat dat niet moest.”

Ik zweer het, ik wist op dat moment niet of ik moest wenen of kwaad worden. Want ergens was dat bijna schoon gezegd. En toch voelde het nog altijd als een excuus voor maanden stilte.

Dan kwam het stuk dat ik helemaal niet had zien aankomen.

Ze keek naar haar handen en zei heel stil: “En er is nog iets. Ik heb u bewust minder gecontacteerd na uw scheiding, omdat Tom mij in november gebeld heeft.”

Mijn hart sloeg echt over. “Wat? Waarom zou Tom u bellen?”

Ze aarzelde. “Omdat hij dacht dat ge iemand anders had. Hij vroeg of ik dat wist. Hij was aan het vissen. En daarna begon hij mij berichten te sturen. Niet super vuil of zo, maar… te persoonlijk. Dat hij mij altijd de verstandigste van ons twee vond. Dat ge al lang veranderd waart. Dat ik hem precies beter begreep dan gij. Ik heb hem afgeblokt. Maar ik wist niet hoe ik u dat moest zeggen zonder nog meer kapot te maken.”

Ik ben gewoon beginnen staren. Tom en ik zijn twaalf jaar samen geweest. Dat hij jaloers was, oké. Dat hij Hanne contacteerde… ik voelde ineens walging, maar ook schaamte. Alsof ik iets gemist had dat voor iedereen zichtbaar was behalve voor mij.

“Waarom hebt ge dat in godsnaam verzwegen?” vroeg ik.

Ze schoot direct in verdediging. “Omdat ge toen al helemaal op waart. Omdat ge toen nog hoopte dat het misschien tijdelijk was tussen u twee. Moest ik daar dan ook nog mee afkomen?”

“Ja,” zei ik. “Ja, Hanne. Want nu voelt het alsof iedereen voor mij beslist wat ik aankan. Gij ook.”

Ze begon te wenen. Niet schoon, gewoon echt. “Ik kon niet meer, Ellen. Ik was jaloers op u ook, snapte? Zelfs met uw miserie. Omdat ge tenminste mocht instorten. Iedereen liet u rust. Bij mij bleef alles draaien. Ik moest blijven gaan. Dus ja, ik stuurde alleen als ik iets nodig had. Omdat ik niks anders meer over had.”

En dat was het moment waarop alles weer kantelde. Want ineens zag ik haar niet meer alleen als die vriendin die mij vergeten was, maar ook als iemand die zo hard aan het overleven was dat ze alleen nog nam van de mensen die veilig voelden.

Maar tegelijk… ik ben ook iemand. Ik ben niet alleen “veilig”. Ik ben ook gekwetst geweest. En moe. En eerlijk, een beetje kwaad dat ik precies altijd begrip moet hebben voor andermans stilte, terwijl de mijne direct opvalt.

Voor ze wegging, zei ze: “Ik weet niet of wij nog hetzelfde gaan zijn. Misschien heb ik dat kapotgemaakt. Misschien gij ook.”

Ik zei: “Misschien wel. Maar ge had mij wel kunnen vertrouwen met de waarheid.”

Ze knikte. “En gij had misschien één keer kunnen vragen of ik oké was zonder het op te kroppen tot het eruit knalde.”

Sindsdien hebben we elkaar niet meer gezien. Ik heb wel op Lowie gepast vorige week, omdat haar ma weer opgenomen was. We hebben daarna alleen over boterhamdozen en ophaaluren geappt. Alsof dat veiliger is.

Ik blijf ermee zitten, omdat ik haar nog altijd graag zie, maar precies niet meer weet in welke vorm. Wanneer wordt begrip gewoon zelfverloochening? En wanneer is afstand gewoon wat er gebeurt als het leven te zwaar wordt?

Wat zoudt gij doen? Proberen redden wat er nog is, of aanvaarden dat sommige vriendschappen niet echt stukgaan door één ruzie, maar door alles wat ge elkaar niet gezegd hebt?