Groene Jaloezie in de Keuken van Gent
— En, Jan, voel je u nu beter? — Maud haar stem trilde, maar haar blik was harder dan ik me herinnerde.
Ik stond daar, mijn hand nog op de deur van de koelkast, die net met een klap dicht was gegaan. De magneet van het Atomium — die we ooit samen op een zondag in Brussel hadden gekocht — lag nu op de koude tegelvloer. Mijn hart bonsde in mijn keel, mijn gezicht voelde gloeiend heet en tegelijk ijskoud. Ik wist dat ik er niet uitzag; ik voelde het bloed uit mijn wangen trekken, zoals altijd wanneer de jaloezie me overviel.
— Waarom moest je hem meenemen? — siste ik, mijn stem schor van ingehouden woede.
Maud haalde haar schouders op, maar haar ogen flitsten. — Omdat hij bij mij hoort nu. Omdat jij altijd alles kapotmaakt wat mooi is.
Ik keek naar haar, naar haar nieuwe vriend die in de gang stond te wachten, zijn jas nog aan. Een onbekende geur hing in het huis — niet de onze, niet die van koffie en vers brood op zondagochtend, maar iets fris en duur. Mijn maag draaide om.
— Je had toch kunnen bellen? Of gewoon… alleen komen? — Mijn stem brak. Ik haatte mezelf voor die zwakte.
Ze snoof. — Je had het kunnen verwachten. Je hebt zelf gezegd dat je niet meer om mij gaf. Of was dat ook een leugen?
Ik wist niet wat ik moest zeggen. Alles wat ik dacht klonk kinderachtig in mijn hoofd. Ik keek naar het raam, naar de regen die tegen het glas tikte. Gent was grijs vandaag, net als mijn stemming.
Plots hoorde ik voetstappen achter me. Mijn dochtertje, Lotte, kwam de keuken binnen geslopen. Ze keek van mij naar Maud, haar ogen groot en bang.
— Papa? — fluisterde ze.
Ik knielde neer en trok haar tegen me aan. Haar kleine handjes grepen mijn trui vast. Ik voelde haar hartje bonzen tegen mijn borstkas.
Maud zuchtte diep. — Jan, we moeten gaan. Lotte moet mee.
— Nee! — riep Lotte plots, haar stem scherp van angst. — Ik wil bij papa blijven!
Maud draaide zich om naar haar vriend in de gang. — Kun jij even helpen?
Hij kwam aarzelend binnen, keek mij niet aan. Ik voelde hoe mijn vuisten zich balden. Alles in mij schreeuwde dat ik moest vechten, dat ik Lotte niet mocht laten gaan. Maar ik wist ook dat ik geen recht had om haar hier te houden. De rechtbank had beslist: co-ouderschap, week om week.
— Lotteke, schatje… — begon ik zachtjes. — Het is maar voor een weekje. Volgende vrijdag ben je weer bij mij.
Haar lip begon te trillen. — Maar papa… straks ben je weer verdrietig.
Die woorden sneden dieper dan alles wat Maud ooit gezegd had. Ik probeerde te glimlachen, maar het lukte niet.
Maud stond nu vlakbij me. — Jan, laat haar los. We moeten echt gaan.
Ik liet Lotte los en ze liep langzaam naar haar moeder toe. Maud pakte haar hand vast, maar keek me nog één keer aan.
— Je moet leren loslaten, Jan. Anders blijf je altijd alleen.
De deur viel dicht achter hen. Het huis voelde plots veel te groot en leeg aan. Ik liet mezelf op een stoel zakken en staarde naar het magneetje op de vloer. Mijn handen trilden nog steeds.
De stilte werd alleen doorbroken door het zachte gezoem van de koelkastmotor en het getik van de regen tegen het raam.
Mijn gedachten gingen terug naar vroeger: onze eerste ontmoeting op de Korenmarkt, hoe we samen door de Graslei wandelden met een puntzak friet in de hand, hoe Maud altijd lachte om mijn slechte mopjes. Hoe alles zo vanzelfsprekend leek toen.
Maar alles veranderde na Lotte’s geboorte. Maud werd stiller, ik werd prikkelbaarder. De slapeloze nachten, het eeuwige gevecht om tijd voor elkaar te vinden tussen werk en luiers en familiebezoekjes aan haar ouders in Aalst of die van mij in Lokeren.
En dan die ruzie over geld — altijd geld. De elektriciteitsrekening die te laat betaald was omdat ik weer eens vergeten was om online te betalen; Maud die vond dat ik te veel uitgaf aan gadgets; ik die vond dat zij te veel geld stak in kleren voor Lotte die ze na drie maanden alweer ontgroeid was.
Het was geen groot drama geweest dat ons uit elkaar dreef, maar een opeenstapeling van kleine ergernissen en teleurstellingen. Tot op een dag Maud zei: “Jan, ik kan zo niet meer verder.” En ik wist dat ze gelijk had.
Maar nu ze hier stond met haar nieuwe vriend — een man met een BMW en een job bij een groot consultancybedrijf in Brussel — voelde ik me kleiner dan ooit tevoren.
Mijn gsm trilde op tafel: een bericht van mijn broer Pieter.
“En? Hoe is’t gegaan met Maud?”
Ik typte: “Rampzalig. Ze was hier met hem. Lotte moest mee.”
Pieter antwoordde meteen: “Kom straks iets drinken bij mij en Sofie? Je moet er even uit, gast.”
Ik dacht aan hun gezellige huisje in Sint-Amandsberg, aan Sofie’s warme lach en Pieters droge humor. Maar ik kon het niet opbrengen om onder mensen te komen.
“Misschien morgen,” typte ik terug.
Ik stond op en raapte het Atomium-magneetje op. Er zat een barst in het plastic bolletje bovenaan. Typisch — zelfs onze herinneringen waren niet meer heel.
Plots hoorde ik buiten stemmen: buren die hun vuilnis buiten zetten, kinderen die lachten onder hun paraplu’s op weg naar de Chiro-repetitie verderop in de straat. Het gewone leven ging gewoon door terwijl mijn wereld stilstond.
Ik dacht aan mijn ouders, hoe zij altijd samen waren gebleven ondanks alles: de stakingen in de fabriek waar papa werkte, mama’s ziekte toen ik twaalf was, het verlies van mijn jongere zusje aan leukemie… Zij hadden altijd gevochten voor elkaar. Waarom was het mij dan niet gelukt?
Misschien was ik te koppig geweest, te trots om toe te geven dat ik hulp nodig had toen alles misliep. Misschien had Maud gelijk: misschien kon ik gewoon niet loslaten.
De avond viel langzaam over Gent en ik bleef zitten aan de keukentafel, starend naar het magneetje in mijn hand.
Wat blijft er over als alles wat je liefhad uit je handen glipt? Ben je dan nog dezelfde mens als vroeger? Of word je iemand anders — iemand die alleen nog leeft in herinneringen?
Misschien is dat wel de grootste vraag: hoe leer je opnieuw beginnen als je hart nog altijd bij gisteren blijft hangen?