Onder het juk van schulden – het verhaal van Martina

‘Martina, waar is uw vader?’ De stem van Doru, scherp als geslepen staal, galmde door onze kleine woonkamer. Mijn moeder stond verstijfd naast me, haar handen wit om het emaille koffietasje dat rilde boven haar schoot. Ik was amper zeventien, maar in dat moment voelde ik me honderd jaar oud. Ik kende Doru van gezicht, van de fluisteringen op straat over zijn familie, de Roemeense mannen die altijd met hem meekwamen, het geld dat hij uitleende tegen onmogelijk hoge rentes. Maar tot vandaag was er nooit een confrontatie geweest zoals deze — blootsvoets, met mijn vader nog niet thuis, en Doru die tussen onze oude zetel en de tv-stoel stond alsof hij hier woonde.

‘Hij is werken,’ stamelde ik, mij schrap zettend tegen de ijzige toon in Doru’s vraag. Mijn moeder wilde ingrijpen, maar haar stem begaf het. Mijn kleine broer Stijn schuilde achter het gordijn, en zelfs de kat waagde zich niet uit haar mand.

Doru zette een stap dichterbij. ‘Luister, Martina. Uw vader speelt met vuur. Het geld, waar is het?’ Mijn moeder begon zachtjes te huilen. Ik voelde mijn keel dichtknijpen, maar ik wist dat ik niet mocht breken.

Toen mijn vader die avond thuiskwam, was zijn knie kapotgeslagen, zijn gezicht bond onder het bloed. ‘Ze hebben ze mij te pakken gehad, meisje,’ zei hij, terwijl mijn moeder in paniek de dokter belde. Ik heb nooit geweten dat hij zoveel schuld had — 24.000 euro, zei Doru later. ‘Met rente wordt dat 35.000 volgend jaar. Als ge niet betaalt…’ Hij lachte, een geluid dat ’s nachts als een monster onder mijn bed bleef zitten. Die nacht hoorde ik mijn ouders vechten, hoorde mijn moeder snikken en mijn vader smeken.

De dagen die volgden waren een hel. Mijn vader kon niet meer werken, en mijn moeder was haar job in de bakkerij een maand eerder verloren. Ik deed boodschappen op de bon, moest uitleggen aan schoolvriendinnen waarom ik niet mee kon op uitstap. Maar het ergste was telkens als de deurbel ging. Iedere keer dacht ik: Doru is weer terug. En soms was dat zo. Kwam hij niet, dan stuurde hij die grote met de gouden tand, of soms een vrouw met een valse glimlach. Overal waar ik ging, leek een schaduw van Dreiging me te volgen.

Op zekere dag kwam Doru alleen. ‘Martina, gij zijt slim. Ge kunt beter dan uw familie. Zo’n jonge vrouw als gij kan geld verdienen voor mij. Ge hoeft niet te antwoorden. Bedenk het u. Uw vader is niet in staat om zijn schuld af te betalen.’ Zijn hand lag even op mijn schouder, ijskoud. Het duurde maar een seconde maar het voelde als een brandmerk. Thuis vertelde ik niets, hing elke nacht boven het bed van mijn broer om te luisteren of de voordeur dicht bleef. Mijn angst was niet enkel voor mijn vader, maar voor wat Doru van mij vroeg, voor wat hij suggereerde. Hij belde me zelfs op school, stuurde dreigende berichten. ‘Bespaar uzelf ellende, Martina. Ik kan u helpen, als ge doet wat ik vraag.’

Nachten heb ik geworsteld met wat ik moest doen. Mijn beste vriendin Lieselot vroeg wekenlang wat er scheelde, tot ik op een grijze donderdag in tranen uitbarstte. In een café op de Korenmarkt vertelde ik haar alles. Ze keek me aan, haar ogen groot. ‘Martina, ge moet naar de politie.’ Maar ik schudde mijn hoofd. Wie gelooft mij? Wie gelooft een meisje van de arbeiderswijk tegen iemand als Doru, die zogezegd verbonden is met de plaatselijke notabelen?

Toch kon ik niet blijven zwijgen. Stiekem nam ik gesprekken op, verzamelde ik de bedreigingen, hield ik een dagboek bij van elke ontmoeting met Doru en zijn mensen. Ondertussen probeerde ik een job te vinden — in een nachtwinkel, bij de frituur, zelfs poetswerk bij mensen die uit medelijden cash betaalden. Alles om telkens een beetje van de schuld af te lossen. Maar Doru bleef altijd komen. ‘Het zal nooit genoeg zijn,’ siste hij op een avond. Mijn vader, die het gesprek opving, viel op zijn knieën voor Doru. ‘Laat haar met rust, Doru, alsjeblieft. Pak mij, maar niet haar.’

‘Hebt gij nu nog altijd niet door dat mensen zoals gij nooit winnen? Geef op. Of Martina…’ Hij liet de zin in de lucht hangen, als een bijl boven mijn hoofd.

De weken werden maanden. School werd moeilijker, mijn cijfers kelderden. Mijn moeders geest brak bijna; ze wilde medicijnen nemen, maar onze mutualiteit was op. Stijn werd stiller. En mijn vader? Die keek elke dag ouder, kleiner. Ooit was hij zo’n trotse, guitige man — hij was een schim geworden.

Eén avond, terwijl ik een vuilniszak buiten gooide, zag ik hoe Doru in een zwarte Audi tegenover ons huis stond, alleen dit keer. Mijn handen trilden terwijl ik de vuilnis in de container gooide. Plots hoorde ik zijn stem. ‘Martina, ge zijt een slimme meid. Maar ik heb geen geduld meer.’ Hij stapte uit, griste mijn arm vast. Ik rukte me los. ‘Laat mij met rust!’ schreeuwde ik — de buren hoorden het. Eindelijk besloot ik: genoeg.

De volgende ochtend ging ik met al het bewijsmateriaal naar Lieselot, en samen gingen we, trillend als bladeren, naar de politie van Gent. Wat volgde, was een sneltrein aan verhoren, bureaucratie, nog meer stress. Weet ge wat de politie vroeg? ‘Waarom hebt ge zo lang gezwegen? Waarom bent ge niet eerder gekomen, Martina?’ Alsof ik niet elke nacht wakker lag van de angst, alsof ik niet alles deed om mijn familie te beschermen! Maar uiteindelijk namen ze het ernstig. Ze volgden Doru, zetten hem onder druk, spraken met andere slachtoffers. Binnen een paar maanden hadden ze genoeg bewijs. Doru werd gearresteerd. In de krant stond: ‘Plaatselijke woekeraar eindelijk opgepakt.’

Maar het leven werd geen sprookje. De schuld was niet zomaar van tafel. Mijn vader zijn lichaam was blijvend beschadigd en de littekens op zijn gezicht vervaagden langzaam, maar niet die in zijn ogen. Mijn moeder kreeg slaappillen — ik mocht haar soms haast niet alleen laten. Stijn raakte verder geïsoleerd, gepest op school omdat ‘zijn pa geslagen was door gangsters.’

En ik? Ik draag het mee, tot vandaag. Telkens als iemand te dicht bij komt, voel ik weer die hand van Doru op mijn schouder, die grijns in de schemer van onze woonkamer. Bij elke nieuwe vriend of vriendin vraag ik me af: wie kan ik vertrouwen? Wie heeft geen verborgen agenda? Ik doe mijn best, bouw langzaam iets op — een opleiding, een bijbaan, een spaarpotje. Maar soms, ’s nachts, loopt er nog altijd een schaduw van angst door ons huis. De buren zeggen: ‘Gij zijt een dappere meid, Martina.’ Maar eerlijk? Ik weet vaak niet meer wie ik ben, behalve het meisje dat zijn jeugd verloor aan de schuld van haar vader.

Is het terecht dat ik onze familie heb moeten redden terwijl ik zelf nog zo jong was? En als jij in mijn plaats was, wat had jij dan gedaan om uit de greep van iemand als Doru te ontsnappen?