“Marginaal,” zei mijn buurvrouw luid op straat… en ineens voelde ik mij in mijn eigen dorp precies niemand meer

“Ge moet u echt schamen.” Dat zei mijn buurvrouw, Nadine, gewoon op de stoep, terwijl twee mensen van verder in de straat stonden te doen alsof ze hun auto aan het uitladen waren. Ik had mijn zoontje van school gehaald in de Sint-Jozefsschool en hij stond naast mij met zijn boekentas nog op zijn rug. Hij hoorde alles.

Ik zei: “Waarvoor deze keer?”

Ze stak haar kin vooruit. “Voor heel de indruk dat ge hier geeft. Altijd miserie, altijd gedoe. Iedereen ziet dat.”

Dat “iedereen” deed iets met mij. Dat woord blijft dan hangen, hè. Alsof ge ineens niet meer gewoon Ellen zijt die probeert rond te komen, maar “die van nummer 14”, waar ze over babbelen aan de bakker of op de rommelmarkt.

Voor de duidelijkheid: ik woon in een rijhuis in Wetteren, niet groot, sociale huur via de woonmaatschappij. Ik werk 28 uur per week in een Carrefour Market, kassa en soms rekken vullen. Alleenstaande mama, één kind van negen. Zijn papa, Kenny, betaalt niet altijd op tijd. Soms wel, soms niet. Zoals alles bij hem: veel beloven, weinig doen.

De miserie waar Nadine op doelde, was dat er de laatste maanden vaak iemand aan mijn deur stond. Een deurwaarder één keer, ja. Een technieker van Fluvius omdat er iets fout zat met de meter. Kenny die hier twee avonden had geroepen omdat ik hem niet binnenliet. En mijn broer Glenn, die een keer zat voor de deur omdat ik hem geen geld meer wilde lenen. Schoon zicht? Nee. Dat weet ik ook wel.

Maar marginaal? Dat woord had ik haar niet letterlijk horen zeggen, tot vorige vrijdag in de Delhaize. Ik stond aan de rayon met yoghurt en ik hoorde haar tegen iemand fluisteren: “Ja, dat is zij. Triest, eigenlijk. Maar ge ziet direct hoe dat afloopt met zo’n volk.”

Zo’n volk.

Ik ben naar huis gegaan en ik heb echt geweend van colère. Niet chic wenen, hè. Gewoon kapot. Omdat ge begint te denken: misschien zien ze mij echt zo. Misschien maakt het niet uit dat ik altijd werk, dat ik mijn facturen in stukjes afbetaal, dat mijn zoon proper naar school gaat en zijn turnzak altijd meeheeft. Misschien zijt ge voor sommige mensen gewoon een etiket.

Die avond zei mijn zoon: “Mama, moeten wij verhuizen?”

Ik schrok. “Hoe komt ge daarbij?”

“Gij zijt hier niet graag meer.”

Dat was het ergste. Dat hij dat voelde.

Ik had dus beslist om maandag naar Nadine te gaan. Gewoon aanbellen en zeggen dat het moest stoppen. Maar ik was nog niet aan haar poort toen haar man, Dirk, buiten kwam en zei: “Nu niet, Ellen. Echt niet.”

Ik dacht eerst: voilà, laf. Maar dan zag ik zijn gezicht. Bleek. Kapot.

Ik zei: “Wat is er?”

En hij antwoordde: “Nadine haar zus ligt in het UZ Gent. Ze hebben iets gevonden. We weten nog niet hoe erg.”

Op dat moment voelde ik mij direct slecht omdat ik daar stond met mijn opgefokte kop. Maar tegelijk dacht ik ook: ja en? Dat geeft u toch niet het recht om op mij neer te kijken?

Twee dagen later kwam Nadine zelf aan mijn deur. Zonder make-up, jogging aan, helemaal anders dan anders. Ze zei: “Ik moet iets zeggen. En ge moogt mij daarna gerust een trut vinden.”

Ik liet haar binnen, al wilde ik eigenlijk niet.

Ze bleef rechtstaan in mijn living en zei: “Ik heb over u gepraat. Dat is waar. Maar niet omdat ik u haat.”

Ik zei: “Dat maakt het precies beter.”

Ze zuchtte. “Mijn dochter, Lore, hangt soms rond met uw broer Glenn.”

Ik verstijfde direct. Lore is negentien. Glenn is vierendertig en leeft van iedereen te manipuleren als hij geld nodig heeft. Altijd hetzelfde verhaal: hij gaat afkicken, hij gaat werken via interim, hij heeft ‘nog één kans’ nodig.

Nadine zei: “Ik heb twee keer gezien dat hij haar oppikte aan het station. Zij liegt daarover. Mijn zus heeft vroeger ook een verslaving gehad. Ik zie signalen en ik panikeer.”

Ik wist even niet wat zeggen. Want ineens verschoof alles. Ik had gedacht dat zij gewoon snob was. En misschien is ze dat ook een beetje, eerlijk. Maar dit kwam van schrik.

“Waarom hebt ge mij dan niet gewoon aangesproken?” vroeg ik.

Ze keek weg. “Omdat ik al maanden kwaad was op u.”

“Op mij? Waarvoor?”

Toen kwam het deel dat ik totaal niet zag komen.

Blijkbaar had mijn ex Kenny vorig jaar tegen haar man verteld dat ik cash in het zwart poetste en tegelijk leefde van “allerlei steun”. Wat niet klopt. Ik krijg gewoon wat ik als werkende alleenstaande moeder kan krijgen, en daar schaam ik mij niet voor. Maar in een straat als de onze gaat zo’n verhaal snel rond. Zeker als er dan een deurwaarder aan uw deur staat.

Ik zei: “Dus ge hebt een leugen geloofd van mijn ex, en op basis daarvan beslist dat ik minder was?”

Ze antwoordde heel stil: “Ja. En ook omdat ik jaloers was.”

Ik dacht dat ik haar verkeerd verstaan had. “Jaloers? Op wat alstublieft?”

Ze begon te wenen. “Omdat gij ondanks alles nog precies uzelf zijt. Mensen komen en gaan bij u, het is chaos, ja. Maar ge zet u niet beter voor dan ge zijt. Bij ons moet altijd alles proper ogen. Mijn man, de auto, het huis, Lore op kot in Gent zogezegd braaf… en ik ben al jaren aan het doen alsof.”

Dat kwam binnen op een rare manier. Niet omdat ineens alles vergeven was. Zeker niet. Maar omdat ik besefte dat zij mij al die tijd bekeek vanuit haar eigen angst. En ik haar vanuit de mijne.

Diezelfde avond heb ik Glenn gebeld en gezegd dat hij uit de buurt van Lore moest blijven. Hij lachte eerst, tot ik zei dat ik desnoods naar de politie ging als hij haar bleef gebruiken voor ritjes of geld. Toen werd hij kwaad, noemde mij een verrader en zei dat familie voor familie moest kiezen.

Maar dat is het net. Familie maakt het soms vuiler, niet properder.

Sindsdien is het in de straat stiller, maar niet opgelost. Nadine zegt mij nu goeiedag. Soms oprecht, soms ongemakkelijk. Ik weet nog altijd niet of ze echt spijt heeft of gewoon betrapt is. En ik voel mij nog altijd bekeken als ik de blauwe PMD-zak buitenzet of als Kenny zijn auto hier fout parkeert.

Wat ik vooral heb geleerd, denk ik, is dat ge door één etiket bijna kunt verdwijnen in de ogen van anderen. “Marginaal”, “profiteur”, “asociaal”… en ineens ziet niemand nog de mens die gewoon probeert recht te blijven. Maar ik weet ook dat angst mensen lelijk doet doen, en dat niet alles zwart-wit is.

Ik blijf hier voorlopig wonen. Al is het maar omdat ik niet wil dat mijn zoon denkt dat ge moet verdwijnen zodra mensen over u praten.

Maar zeg eens eerlijk: als iemand u publiek blijft beoordelen op de chaos in uw leven, terwijl die persoon zelf ook met van alles zit, zoudt gij dat nog proberen uitpraten of gewoon afstand nemen?