Hij was content dat ik eindelijk terug halftijds ging werken… tot hij ineens zei: ‘Dan betaal jij nu huur en pampers.’ Ik dacht dat ik mij misheard had.

‘Dan is ’t simpel, hé.’

Hij zei dat echt zo droog, alsof hij mij vroeg of ik nog brood mee moest nemen van den Delhaize.

Ik stond daar nog met mijn jas aan, mijn sonnetje zat in de wipstoel te brabbelen, en ik had net gezegd: ‘Ik mag starten maandag. Halftijds. In ’t kantoor van die interim in Mechelen, weet ge wel, dichtbij ’t station.’

Eerst was hij nog blij geweest. Echt. Hij had mij zelfs een kus gegeven op mijn voorhoofd. ‘Zie je wel dat ’t in orde komt? Goed bezig.’

En dan, twee dagen later, aan de keukentafel, met zijn laptop open en een Excelke… kwam dat.

‘Vanaf nu betaal jij uw deel van de huur. En de pampers zijn ook uw verantwoordelijkheid. Ge werkt nu toch.’

Ik lachte eerst. Omdat ik dacht dat het een slechte grap was.

‘Allez, Koen… wat zegt gij nu?’

Hij trok zijn wenkbrauw op. ‘Wat? Dat is toch normaal. Ik heb maanden alles alleen gedaan.’

‘Alles alleen?’ Ik hoorde mijn eigen stem al hoger gaan. ‘Koen, ik heb ook iets “gedaan”, hé. Ik ben bevallen. Ik ben thuis geweest met den kleine. Ik heb nachten niet geslapen. Ik heb borstvoeding geprobeerd tot ik bijna kapot was. Dat telt dan niet of zo?’

Hij zuchtte. ‘Ja maar dat is uw keuze geweest. Ge wou per se thuisblijven tot hij zes maanden was. Ik heb gezegd dat crèche ook kon.’

Dat was waar. Of ja… half waar. Want hij had het wel “gezegd”, maar elke keer als ik crèche aanhaalde, begon hij over wat dat kostte, en hoe zijn collega’s dat “zot veel” vonden.

Ik ging zitten. Mijn handen trilden zo’n beetje. ‘Koen, wij zijn toch een gezin? Geen huisgenoten.’

‘We zijn een gezin, maar ik ben geen bank.’

Dat woord… bank. Alsof ik een lening bij hem had lopen.

‘Oké,’ zei ik, ‘en hoeveel is dan “mijn deel”?’

Hij draaide zijn laptop naar mij. ‘De huur is 950. Dan is uw helft 475. En dan nog water, elektriciteit, internet…’

‘Maar Koen… ik ga halftijds werken. Dat is geen vetpot.’

‘Ja, maar ge krijgt toch ook kindergeld?’

‘Dat komt op onze rekening!’

Hij keek even weg. ‘Ja. Tot nu.’

Ik voelde iets zakken in mijn maag. ‘Tot nu? Wat bedoelt gij?’

Toen kwam het: ‘Ik ga mijn loon voortaan op mijn eigen rekening laten storten. Dan is het duidelijk. Gij stort uw deel door. Simpel.’

Simpel. Alsof ge over vuilzakken praat.

Ik zei: ‘En hoe moet ik dat doen als ik nog niet eens mijn eerste loon heb? En mijn contract is maar 19 uur. En ik moet nog kleren kopen voor den kleine, en…’

‘Dat zijn allemaal emoties,’ zei hij. ‘Ik wil gewoon dat het eerlijk is.’

Eerlijk.

Ik heb mij toen stil gehouden. Echt. Ik kon precies niet meer praten, want als ik begon, ging ik óf wenen óf schreeuwen, en den kleine zat daar maar.

Die avond heb ik mijn zus, Lien, gebeld. Zij woont in Turnhout met haar vriend en twee kinderen. Zij is zo iemand die direct zegt wat ze denkt.

‘Amai,’ zei ze, ‘hij is goed zot, uw Koen. Huur vragen? Aan zijn eigen vrouw?’

‘Ja maar,’ zei ik, ‘hij zegt dat hij maanden alles betaald heeft. En… we hadden het ook moeilijk, hé. Met die lening, de auto, en ik was thuis…’

Lien snoof. ‘Gij waart thuis met uw baby. Dat is geen vakantie. Maar luister: heeft hij ooit gezegd dat het zo ging lopen?’

‘Nee. Helemaal niet. Hij zei altijd: “We doen dat samen.”’

‘Dan is er iets anders,’ zei ze. ‘Ofwel heeft hij schrik, ofwel is er geld weg.’

Ik lachte nerveus. ‘Geld weg? Wat zou hij… nee.’

Maar die zin bleef in mijn kop hangen.

Twee dagen later, toen Koen ging douchen, lag zijn portefeuille open op de salontafel. Ik weet dat ge dat eigenlijk niet doet, maar ik keek. Gewoon… één keer. Ik zag een kaartje van een andere bank dan de onze. KBC hadden wij samen. Dit was Belfius.

Mijn hart begon te bonzen. Toen hij uit de douche kwam, vroeg ik het direct.

‘Koen… sinds wanneer hebt gij een Belfius-rekening?’

Hij bevroor. Echt, ik zag hem zo’n fractie van een seconde nadenken.

‘Dat is niks,’ zei hij dan. ‘Dat is van vroeger.’

‘Van vroeger? Waarom heb ik dat nog nooit gezien?’

Hij deed alsof hij moe was. ‘Moet ge nu echt beginnen, Els? Ik heb geen zin in drama.’

‘Ik begin niet. Ik vraag iets.’

Hij keek me strak aan. ‘Ik heb gewoon graag wat marge. Dat is alles.’

‘Marge voor wat?’

En toen kwam er zo’n rare stilte, en hij zei: ‘Omdat ik het beu ben om altijd verantwoordelijk te zijn voor alles.’

Ik voelde mij direct schuldig, maar tegelijk ook kwaad. ‘Maar ik heb u nooit gevraagd om “alles” te zijn. Ge hebt mij nooit gezegd dat ge het niet aankon.’

Hij werd harder. ‘Ge hoorde dat toch? Elke maand stress. En dan komt gij met: “Ik wil nog wat langer thuis.” En dan koopte gij die buggy van 600 euro omdat dat “beter” was.’

‘Die buggy heb ik tweedehands gekocht op 2dehands, Koen! 220 euro!’

‘Ja oké, maar het is dat altijd. Altijd discussies.’

Ik begon te wenen toen. Niet eens luid, gewoon tranen die bleven komen.

‘Zeg nu gewoon eerlijk,’ zei ik, ‘is er iets dat ge mij niet zegt? Is er schulden? Is er iemand anders? Want ik voel mij hier… ik voel mij precies een last.’

Hij trok zijn schouders op. ‘Geen drama maken.’

Maar ’s avonds, toen hij sliep, ben ik op zijn laptop gegaan. Ja. Ik weet het. Maar ik was op.

Zijn wachtwoord was nog altijd dezelfde stomme combinatie met zijn nummerplaat. Ik ging in zijn mail, en daar zag ik het: mails van een incassobureau. En een paar bevestigingen van… online gokken. Zo van die sites waar ge “gratis” begint.

Ik kreeg het koud. Ik heb zitten staren alsof mijn ogen het niet wilden snappen.

De volgende ochtend heb ik hem ermee geconfronteerd. Den kleine zat net in zijn eetstoel, met yoghurt overal.

‘Koen,’ zei ik, ‘wat zijn die mails van Intrum? En waarom staan er betalingen naar goksites?’

Hij werd bleek. ‘Gij hebt in mijn laptop gezeten?’

‘Antwoord op mijn vraag.’

Hij sloeg met zijn hand op de tafel. Niet op den kleine, maar wel hard genoeg dat ik schrok.

‘Ge hebt mij geen vertrouwen!’

Ik zei: ‘Nee, Koen. Gij hebt mij niet de waarheid gezegd.’

Toen ging hij zitten, ineens heel klein precies. ‘Ik… ik ben er ingerold. Dat was tijdens dat ge zwanger waart. Op het werk, iedereen deed dat. Ik dacht: ik win dat wel terug.’

‘Hoeveel?’ vroeg ik.

Hij keek weg. ‘Vierduizend. Misschien… vijf.’

Ik voelde mijn keel dichtknijpen. ‘En daarom wilt gij dat ik huur betaal?’

‘Ik wil gewoon dat we niet kopje-onder gaan,’ zei hij. En hij keek mij toen eindelijk aan. ‘Ik schaam mij kapot. Maar ik kan dat niet alleen blijven dragen.’

En daar zat ik dan. Met mijn woede en mijn medelijden door elkaar.

Want langs de ene kant: hij heeft het verprutst, hij heeft gelogen, hij heeft mij behandeld alsof ik niks waard ben.

Maar langs de andere kant: ik wist ook dat hij al maanden slecht sliep, dat hij altijd “nog efkes” bleef werken, dat hij zich kapot verantwoordelijk voelde. En ik… ik heb dat misschien te hard onderschat.

Die avond zijn we naar het CAW beginnen kijken, en ook naar budgetbegeleiding. Hij wou eerst niet. ‘Ik ben toch geen marginale,’ zei hij. Maar ik zei: ‘Koen, dat gaat niet over marginale. Dat gaat over hulp. Over ons kind.’

En nu zit ik hier, drie dagen later, en het is nog altijd gespannen in huis. Hij zegt dat hij gaat stoppen met gokken en alles op tafel gaat leggen. Ik wil hem geloven, maar ik hoor nog altijd dat woord “huur” in mijn hoofd, alsof ik hier een contract moet tekenen om moeder te mogen zijn.

Ik weet ook niet of ik nu moet zeggen: oké, we maken alles samen terug recht, of ik moet mij beschermen en mijn eigen rekening houden en desnoods bij Lien gaan zitten als het weer fout loopt.

Ik hou van hem, maar ik ben ook kwaad dat hij mij zo lang in het donker heeft laten staan… en dat hij mijn halftijdse job gebruikte om mij verantwoordelijk te maken voor zijn fouten.

Ik ben eerlijk: ik twijfel. Als gij in mijn plaats waart… zou gij blijven en samen dat gat dichten, of zou gij zeggen: tot hier en niet verder, ik pak mijn kind en ik ben weg?