Ontmoeting van Vrienden – Een Levensteken in Gent

‘Waarom nu, Ellen? Waarom moet ge nu per se naar dat ontbijt gaan?’ vroeg Bart schor. Zijn vingers klemden zich rond het stuur terwijl we langs de slaperige cafés van de Kouter reden. ‘Omdat het misschien de laatste keer is dat we allemaal samen zijn. Ge weet het toch… sinds Eva die diagnose kreeg, zijn de dingen anders geworden.’ Het viel even stil. Ik zag zijn kaakspieren spannen in het zachte ochtendlicht.

‘Ge zijt altijd met dat verleden bezig. Het is twintig jaar geleden, El. Iedereen is veranderd. Zelfs Jonas is ondertussen niet meer die halve wilde. Ge zult teleurgesteld zijn, ge kent dat.’

Ik draaide mijn hoofd naar buiten, keek naar de grijze straatstenen, de vage belofte van warme koffie, gelach, oude ruzies. ‘Misschien, Bart. Maar ik kan het niet laten.’

Iedereen had beloofd te komen. Eva, Jonas, Sofie, ikzelf, en Bart. Maar ik voelde de spanning. Eva’s ziekte had ons weer samengebracht, maar eigenlijk waren we uit elkaar gegroeid. En dan was er nog dat ene geheim tussen mij en Jonas, iets wat zelfs Bart niet wist. Of misschien voelde hij het toch intuïtief aan.

De auto stopte aan het kleine huisje in Ledeberg. Eva zat al buiten, gebogen onder een dekentje, haar gezicht bleek, haar lach flauwer dan vroeger. Ik slikte. ‘Ellen! Kom binnen, schat!’ Haar stem klonk dapper. Sofie was er ook al. Ze gaf me een snelle knuffel, maar haar blik gleed meteen naar Bart, onderzoekend, net iets te lang. Een steek van jaloezie prikte onverwacht in me.

‘Het is lang geleden, hè? Soms denk ik nog aan die zomer aan de Leie, uw blauwe fiets, Jonas die zijn arm brak toen hij indruk wou maken op u,’ lachte Sofie, maar het klonk geforceerd.

Jonas kwam achter haar aan, zijn hand in het verband, pure ironie, en zijn glimlach scheef, zoals altijd. Zijn ogen vingen de mijne, en ik voelde oude zenuwen ontwaken. ‘Kijk nu, de hele bende bijeen. Wie had dat ooit gedacht?’ Hij kuchte, het klonk alsof hij iets veel groters wilde zeggen, maar niet durfde.

Bart botste haastig tegen de kapstok. Zijn blik was koud. ‘Ik ga even in de tuin kijken… frisse lucht.’ Sofie knipperde snel met haar ogen, alsof ze huilen wilde. Eva trok me naar binnen. ‘Je mag het niet laten verzieken, Ellen. Het leven is daar te kort voor. Weet je nog, die keer…’ Ze hapte naar adem, en ik aaide automatisch haar schouder.

We zaten even later met z’n allen rond de ontbijttafel, alsof er nooit iets geweest was. Maar het verleden was aanwezig in iedere stilte, iedere blik. Jonas lachte hard, te luid, elke grap een rookgordijn. Sofie zat te prutsen aan haar koffie. Bart zweeg. Eva’s vingers trilden aan haar croissant.

‘Willen jullie weten hoe het echt met me is?’ Eva legde haar bestek neer. Haar stem brak. ‘Ik ben bang,’ fluisterde ze. ‘Niet zozeer voor het einde zelf, maar dat ik vergeten word. Dat wij vergeten worden. Dat alles wegsmelt, zo stilletjes, zonder dat iemand het nog weet.’

Ik beet op mijn lip. ‘Dat laten we niet gebeuren. We houden elkaar vast, Eva. Net als die avond aan de Leie. We laten niet los.’

Maar op dat moment ging het mis. Jonas keek me aan, ogen vol twijfel. ‘Ellen, moet ge niet iets zeggen?’ Bart keek op – zijn ogen smal, onzeker. ‘Wat bedoelt ge, Jonas?’ vroeg hij traag. Mijn hart sloeg een slag over.

Er was een geheim tussen mij en Jonas. Eén dronken avond, lang geleden, te veel wijn, een kus die nooit had mogen gebeuren, en daarna onuitgesproken schuld. Ik voelde het nu branden.

‘Wil je het nu echt doen, Jonas?’ siste ik zacht.

Hij zuchtte. ‘Misschien. Misschien moet alles eruit. Weet je nog, die avond na Eva’s trouw, Ellen?’
Sofie’s koffielepel viel op de vloer. Bart spande zijn kaakspieren. ‘Waar over spreken jullie?’

Ik wilde schreeuwen, vluchten, alles ongedaan maken. Maar Eva keerde zich naar me, haar ogen bijna smekend: ‘Niet liegen, Ellen, niet nu. Niet als het zo weinig uitmaakt.’

Ik keek Bart aan, wilde zeggen dat het niets betekende, dat ik altijd van hem had gehouden. Maar hij stond al recht. ‘Ge had gelijk, Ellen. Het verleden laat u toch nooit los. Ge klampt u eraan vast tot ge ermee verzuipt.’

De kamer leek te klein. Jonas stond ook recht, schuld in zijn blik, zijn hand gaf een trillende steungreep aan de stoel. ‘Sorry, Bart, het was mijn fout. Echt. Tijden veranderen…’

Bart gooide de deur net iets te hard dicht achter zich. Nog voor iemand iets kon zeggen, begon Eva te lachen. Eerst zacht, daarna harder, tot het haast hysterisch werd. ‘Zie je nu – zelfs als ons leven ophoudt, stopt het drama niet. We zijn een soap met slechte scenaristen!’

Sofie begon te huilen. Jonas zocht wanhopig naar kalmerende woorden. En ik, ik zat daar, gevangen tussen wat was en wat nooit meer zou zijn.

Toen uiteindelijk de gordijnen bijna dichtvielen, de zon hoger stond, vroeg Eva me stil: ‘Denk je dat we elkaar ooit echt gaan vergeven?’

Ik wist het antwoord niet. Bart was weg, Sofie gebroken achtergebleven, Jonas starend uit het raam – een groep jeugdvrienden, vernietigd door trots, ouder worden, slechte keuzes. Eva’s ziekte hing als een zware jas rond onze schouders. Toch was ik niet boos op haar of Jonas. Niet echt. Iedereen was slachtoffer van zijn dromen uit het verleden én zijn angsten voor de toekomst.

In de gang wachtte ik, hopend dat Bart terug zou komen, dat Jonas een grap zou maken zoals vroeger, dat Sofie ooit weer echt zou glimlachen. Alleen Eva glimlachte, haar ogen nat. ‘Als ik er niet meer ben, beloof me dan dat je niet alleen zult zijn, Ellen. Vergeef jezelf tenminste. Voor mij.’

Op dat moment besefte ik: vergeving begint bij onszelf. Maar hoe doe je dat, na alles wat we kapot hebben gemaakt? Waar zouden jullie beginnen? Of is soms vergeten de enige weg vooruit?