Onder een Vlaamse Hemel: Mijn Leven als Kaars in de Wind
‘Els, waarom kun je niet gewoon luisteren? Waarom moet je altijd alles in vraag stellen?’ De stem van mijn moeder galmt nog na in mijn hoofd terwijl ik met trillende handen de deur van mijn kinderkamer dichttrek. Ik ben zestien, maar voel me al jaren ouder. Mijn moeder, Marleen, is een vrouw die haar emoties als een deken over het huis legt: warm als het goed gaat, verstikkend als het slecht gaat. En vandaag is het slecht.
‘Ik wil gewoon niet naar die scouts, mama. Ik haat het!’ Mijn stem breekt. ‘Iedereen lacht met mij omdat ik niet mee ga drinken achteraf. Omdat ik liever teken dan pinten pak.’
Ze zucht diep, draait zich om en loopt de keuken in. ‘Je vader zal dit niet graag horen, Els. Hij vindt dat je wat meer moet leren doorzetten.’
Mijn vader, Luc, is een man van weinig woorden en veel verwachtingen. Hij werkt bij Volvo Trucks in Oostakker en gelooft dat hard werken alles oplost. Maar hij begrijpt niet dat sommige dingen niet op te lossen zijn met zwijgen en doorzetten.
Die avond aan tafel hangt er een spanning die je met een mes kan snijden. Mijn broer, Pieter, kijkt me aan met die blik van ‘doe nu gewoon normaal’. Hij is altijd de brave zoon geweest, de voetballer, de student handelswetenschappen aan de UGent. Ik ben de vreemde eend in de bijt.
‘Els, je moeder zegt dat je weer moeilijk doet,’ zegt papa zonder op te kijken van zijn bord stoemp.
‘Ik wil gewoon mezelf zijn,’ fluister ik.
‘Dat is niet genoeg in het leven,’ antwoordt hij scherp.
De jaren gaan voorbij. Ik studeer grafische vormgeving aan het KASK, tegen de zin van mijn ouders. Ze hadden liever gezien dat ik rechten of economie deed, iets ‘met toekomst’. Maar ik kan niet anders. Kunst is mijn ademruimte.
Op mijn twintigste ontmoet ik Sofie op een tentoonstelling in het SMAK. Ze lacht naar me zoals niemand ooit gedaan heeft. We worden vrienden, dan geliefden. Maar thuis kan ik daar niet over praten. In Vlaanderen is alles zogezegd bespreekbaar, maar sommige dingen blijven onuitgesproken.
Op een avond betrapt mama me terwijl ik Sofie een bericht stuur. ‘Wie is zij?’ vraagt ze scherp.
‘Mijn vriendin,’ zeg ik zacht.
Ze kijkt me aan alsof ik haar geslagen heb. ‘Dit kan je je vader niet aandoen.’
De weken daarna zijn een hel. Papa zwijgt me dood. Pieter negeert me op familiefeesten. Alleen mijn grootmoeder, bomma Maria uit Lokeren, belt me stiekem op. ‘Kindje, ge moet uw hart volgen. Het leven is al moeilijk genoeg.’
Dan wordt bomma ziek. Kanker, zegt de dokter in het AZ Sint-Lucas. Ik ga elke dag na mijn lessen naar haar toe. Ze vertelt me verhalen over haar jeugd tijdens de oorlog, over hoe ze verliefd werd op een Poolse soldaat maar toch trouwde met bompa omdat ‘zo ging dat nu eenmaal’. Haar ogen glinsteren als ze zegt: ‘Laat u nooit doen door anderen, Els.’
Op een koude novemberavond overlijdt ze in mijn armen. Ik voel iets breken in mij – verdriet, maar ook een soort bevrijding. Op haar begrafenis lees ik een gedicht voor dat ik voor haar schreef. Papa kijkt weg, mama huilt stilletjes.
Na bomma’s dood besluit ik samen met Sofie te gaan samenwonen in een klein appartementje aan de Coupure Links. Het leven is niet makkelijk: Sofie werkt als verpleegster in het UZ Gent en draait nachtdiensten; ik probeer als freelancer rond te komen met kleine opdrachten voor lokale cafés en culturele centra.
De financiële druk weegt zwaar op ons. Soms eten we dagenlang pasta met tomatensaus omdat er niets anders is. Maar we hebben elkaar – en dat lijkt even genoeg.
Tot Sofie op een nacht thuiskomt met rode ogen en trillende handen. ‘Er was een jongen van zestien… zelfmoordpoging… we konden hem niet redden.’ Ze stort in mijn armen en huilt tot de zon opkomt.
De weken daarna wordt ze stiller, afstandelijker. Ik probeer haar te bereiken, maar ze sluit zich af. Op een avond zegt ze: ‘Misschien moeten we even afstand nemen.’
Ik voel de grond onder mijn voeten wegzakken. Alles waarvoor ik gevochten heb – mijn liefde, mijn vrijheid – lijkt uit mijn handen te glippen.
In die periode zoek ik steun bij oude vrienden uit Gentbrugge, maar velen zijn verhuisd of hebben hun eigen leven opgebouwd. Ik voel me verloren in mijn eigen stad.
Op een dag krijg ik telefoon van mama: ‘Papa heeft een hartaanval gehad.’
Ik haast me naar het ziekenhuis. Papa ligt bleek en zwak in bed. Voor het eerst zie ik angst in zijn ogen.
‘Els…’ fluistert hij. ‘Sorry… voor alles.’
Ik neem zijn hand vast en voel tranen over mijn wangen rollen.
Na zijn herstel verandert er iets tussen ons. Hij vraagt naar mijn werk, naar Sofie – zelfs al zijn ze uit elkaar – en probeert te begrijpen wie ik ben geworden.
Langzaam bouw ik mijn leven weer op. Ik geef workshops aan jongeren in kansarme buurten van Gent en probeer hen te laten voelen wat kunst voor mij betekent: vrijheid, ademruimte, hoop.
Sofie en ik blijven vrienden, maar onze wegen lopen uiteen. Zij verhuist naar Leuven voor haar werk; ik blijf in Gent en vind rust in kleine dingen: een koffie op het Sint-Pietersplein, een wandeling langs de Leie bij zonsondergang.
Soms denk ik terug aan die avonden thuis aan tafel, aan het gevoel nooit goed genoeg te zijn voor mijn ouders of broer. Maar nu weet ik: je moet jezelf toelaten te falen om te kunnen groeien.
En toch vraag ik me af: hoeveel mensen lopen hier rond met dromen die ze nooit durven uitspreken? Hoeveel kaarsen flakkeren er nog op de wind van verwachtingen? Wat zou jij doen als niemand keek?