Wacht op mij!
‘Wacht op mij, Katrien!’ Mijn stem galmde door de lege gang van het Sint-Bavocollege. De bel had net geklonken, en de geur van krijt en natte jassen hing nog in de lucht. Katrien draaide zich niet om. Ze liep met haar hoofd gebogen, haar rugzak slordig over één schouder. Ik voelde mijn hart in mijn keel kloppen. Waarom deed ze zo afstandelijk? Was het omdat ik gisteren weer te laat thuis was gekomen, of omdat mama vanochtend zo hard had geroepen?
‘Katrien, alsjeblieft, wacht toch even!’ Mijn stem brak. Ze bleef staan, net voor de deur van het klaslokaal. ‘Wat is er, Tom?’ Haar blik was koud, haar ogen rood van het huilen. ‘Waarom moet jij altijd alles verpesten?’
Ik wist niet wat te zeggen. De woorden bleven steken in mijn keel. ‘Sorry,’ fluisterde ik. ‘Het is gewoon… thuis is het zo moeilijk de laatste tijd.’
Ze zuchtte diep. ‘Altijd hetzelfde liedje. Papa die weer niet thuis is, mama die haar frustraties op ons uitwerkt. Maar jij, jij maakt het alleen maar erger door weg te lopen.’
Ik voelde de tranen prikken achter mijn ogen. ‘Ik weet het. Maar ik kan het soms gewoon niet meer aan. Gisteren… gisteren ben ik naar de Schelde gegaan. Gewoon om even te ademen.’
Ze keek me aan, haar blik verzachtte een beetje. ‘Je had het kunnen zeggen. Ik was ongerust, Tom. Mama was woedend. Ze heeft de politie gebeld.’
‘Dat meen je niet…’ Mijn stem trilde. ‘Ik wilde niet dat het zo uit de hand zou lopen. Ik wilde gewoon even weg van alles.’
Katrien legde haar hand op mijn arm. ‘We moeten samen sterk zijn. Voor elkaar. Anders gaan we eraan kapot.’
De deur ging open en meneer De Smet keek ons streng aan. ‘Gaan jullie nog binnenkomen, of blijven jullie hier staan discussiëren?’
We schoten naar binnen, maar ik voelde de spanning nog in mijn lijf. De les ging aan mij voorbij. Ik dacht aan papa, die al weken in Brussel zat voor zijn werk, zogezegd. Maar ik wist wel beter. De geruchten gingen dat hij een andere vrouw had. Mama was veranderd sinds ze het vermoeden had. Ze was harder geworden, haar stem scherper, haar handen altijd bezig, alsof ze haar verdriet kon wegpoetsen.
Na school fietsten Katrien en ik samen naar huis. De lucht was zwaar, de wolken dreigden met regen. ‘Wat gaan we zeggen tegen mama?’ vroeg ik zacht.
‘Niets. We zeggen gewoon dat het een lange dag was. Dat is het minste van onze zorgen.’
Thuis was het stil. Mama zat aan de keukentafel, haar handen om een kop koffie geklemd. Haar ogen waren rood, haar gezicht grauw. ‘Waar zaten jullie?’ vroeg ze zonder op te kijken.
‘Op school, mama. Het was druk,’ zei Katrien snel.
Ik voelde de leugen als een steen in mijn maag. Mama keek me aan, haar blik priemend. ‘Tom, ik wil dat je vanavond thuisblijft. Geen excuses meer. We moeten praten.’
Die avond zaten we met z’n drieën aan tafel. Het eten smaakte naar karton. Mama begon te praten, haar stem schor. ‘Jullie vader… hij komt voorlopig niet meer thuis. Hij heeft iemand anders. Ik weet niet hoe het verder moet, maar ik wil dat jullie weten dat ik mijn best doe.’
Katrien begon te huilen. Ik voelde mijn woede opborrelen. ‘Waarom heb je niets gezegd? Waarom moesten wij altijd doen alsof alles normaal was?’
Mama sloeg met haar vuist op tafel. ‘Omdat ik jullie wilde beschermen! Omdat ik hoopte dat het nog goed zou komen!’
De stilte die volgde was ondraaglijk. Ik stond op en liep naar buiten, de regen in. De druppels voelden als kleine messen op mijn huid. Ik liep zonder doel, door de lege straten van Gent. De lichten van de stad weerspiegelden in de plassen. Ik dacht aan vroeger, toen alles nog simpel leek. Papa die me leerde fietsen in het Citadelpark, mama die lachte terwijl ze pannenkoeken bakte. Waar was dat geluk gebleven?
Mijn gsm trilde. Een bericht van Katrien: ‘Kom alsjeblieft naar huis. Ik heb je nodig.’
Ik draaide me om en liep terug. Thuis zat Katrien op mijn bed, haar knieën opgetrokken. ‘Ik ben bang, Tom. Wat als mama het niet aankan? Wat als wij het niet aankunnen?’
Ik sloeg mijn arm om haar heen. ‘We hebben elkaar. Dat is het enige wat telt.’
De weken die volgden waren zwaar. Mama was vaak afwezig, geestelijk dan. Ze vergat boodschappen te doen, vergat ons op te halen van school. Katrien en ik leerden voor onszelf te zorgen. Ik vond een bijbaantje in een bakkerij, Katrien hielp na schooltijd bij de buren. Soms voelde het alsof we ouder waren dan mama.
Op een avond, toen ik thuiskwam van mijn werk, vond ik mama op de grond in de keuken. Lege wijnflessen om haar heen, haar adem zwaar. Ik belde de ambulance, mijn handen trilden. Katrien huilde, haar gezicht bleek. In het ziekenhuis zeiden ze dat mama een alcoholvergiftiging had. Ze moest opgenomen worden.
‘Wat nu?’ vroeg Katrien, haar stem schor van het huilen.
‘We redden het wel. We moeten wel.’
De weken in het pleeggezin waren vreemd. De familie Van den Broeck was vriendelijk, maar het voelde niet als thuis. Ik miste de geur van mama’s parfum, het geluid van haar hakken op de vloer. Katrien werd stiller, trok zich terug. Ik probeerde sterk te zijn, maar ’s nachts huilde ik in mijn kussen.
Na drie maanden mocht mama naar huis. Ze was veranderd. Brozer, maar ook vastberaden. ‘Ik ga vechten voor jullie,’ zei ze. ‘Ik wil niet dat jullie nog langer voor mij moeten zorgen. Het is mijn beurt om voor jullie te zorgen.’
Langzaam bouwden we ons leven weer op. Papa bleef weg, stuurde af en toe een kaartje uit Brussel. Ik voelde geen woede meer, alleen leegte. Katrien vond steun bij haar vriendinnen, ik vond rust in het lopen langs de Schelde. Mama ging naar AA-meetings, werkte weer parttime in de bibliotheek.
Op een dag, toen ik met Katrien op een bankje zat in het park, vroeg ze: ‘Denk je dat we ooit weer echt gelukkig zullen zijn?’
Ik keek naar de wolken die voorbij dreven, voelde de wind op mijn gezicht. ‘Ik weet het niet, Katrien. Maar zolang we elkaar hebben, is er hoop.’
Soms vraag ik me af: hoeveel kan een gezin verdragen voor het breekt? En wat betekent het om elkaar echt niet los te laten, zelfs als alles verloren lijkt? Misschien hebben jullie daar een antwoord op…