Onder de Vlaamse Regen: Mijn Leven tussen Hoop en Wanhoop

‘Waarom ben je zo laat, mama?’ De stem van Maks klinkt scherp door de gang, nog voor ik de voordeur goed en wel achter me dichtgetrokken heb. Mijn handen trillen. In de ene hand mijn versleten handtas, in de andere een plastic zak van de Colruyt, gevuld met afgeprijsde groenten en een half stokbrood. Mijn voeten doen pijn, mijn rug brandt. Het regent alweer, zoals altijd in Gent in november.

‘Sorry, schat,’ probeer ik zachtjes, terwijl ik mijn natte jas uittrek. ‘De tram had vertraging en ik moest nog langs de winkel.’

Maks zucht luid. ‘Altijd hetzelfde. Iedereen heeft altijd een excuus.’ Hij draait zich om en verdwijnt naar zijn kamer. De deur valt dicht met een klap. Ik blijf even staan in de gang, luisterend naar het getik van de regen op het raam en het bonzen van mijn eigen hart.

Ik wil huilen, maar ik mag niet. Niet nu. Niet waar Maks het kan horen. Ik slik de brok in mijn keel weg en loop naar de keuken. De koelkast bromt zachtjes, bijna spottend, want er is amper iets in te vinden. Ik leg de boodschappen erin en kijk naar het magere aanbod: een halve pot choco, wat kaas, melk die bijna vervallen is.

Mijn gsm trilt. Een bericht van mijn moeder: ‘Wanneer kom je nu eindelijk eens op bezoek? Je broer heeft het ook druk, maar hij maakt tenminste tijd voor familie.’

Ik voel woede opborrelen. Altijd die vergelijking met Bart. Bart met zijn mooie huis in Sint-Martens-Latem, zijn Volvo, zijn vrouw die thuisblijft voor de kinderen. En ik? Alleenstaande moeder, deeltijds poetsvrouw in het ziekenhuis, altijd moe, altijd tekort.

Ik stuur geen antwoord terug. Wat zou ik moeten zeggen? Dat ik geen geld heb voor de trein? Dat ik me schaam omdat ik niet eens een fatsoenlijk cadeau kan kopen voor haar verjaardag?

‘Mama?’ Maks staat plots in de deuropening. Zijn gezicht is bleek, zijn ogen rood van het huilen dat hij niet wil tonen. ‘Heb je iets te eten?’

‘Ja, jongen. Ik maak zo meteen soep.’

Hij knikt en schuift aan tafel. Ik zie hoe mager hij geworden is. Zijn kleren zijn te klein, maar nieuwe kopen zit er niet in deze maand.

‘Hoe was het op school?’ vraag ik terwijl ik water opzet.

‘Ging wel.’ Hij kijkt weg. ‘Ze hebben weer gelachen omdat ik geen merkkleren heb.’

Mijn hart krimpt samen. ‘Je bent perfect zoals je bent, Maks.’

Hij haalt zijn schouders op. ‘Dat zeg je altijd.’

Ik weet niet wat te zeggen. Wat kan ik hem bieden behalve lege woorden?

De soep pruttelt op het vuur. Ik snij brood en probeer niet te denken aan de rekeningen die op de kast liggen te wachten: elektriciteit, water, schoolfactuur.

Plots rinkelt de deurbel. Ik schrik op. Wie kan dat zijn op dit uur?

Als ik open doe, staat mijn moeder daar. Haar gezicht strak getrokken, haar jas nat van de regen.

‘Mag ik binnenkomen?’ vraagt ze zonder omwegen.

Ik knik en laat haar binnen. Ze kijkt rond met die kritische blik die ik zo goed ken.

‘Het ruikt hier muf,’ zegt ze terwijl ze haar sjaal afdoet.

‘Het is oud hier,’ antwoord ik zacht.

Ze zucht diep en gaat aan tafel zitten naast Maks.

‘Dag oma,’ zegt Maks zonder enthousiasme.

‘Dag jongen,’ antwoordt ze kortaf.

Er valt een ongemakkelijke stilte terwijl ik de soep uitschep.

‘Je ziet er slecht uit,’ zegt ze plots tegen mij.

Ik voel hoe mijn wangen rood worden van schaamte én woede.

‘Het gaat wel,’ lieg ik.

‘Je broer zegt dat je hulp nodig hebt.’

‘Bart weet niets van mijn leven,’ snauw ik terug.

Ze kijkt me streng aan. ‘Je moet niet zo trots zijn. Je hebt hulp nodig.’

Ik wil schreeuwen dat ze geen idee heeft hoe moeilijk het is om elke dag te overleven, om alles alleen te doen zonder steun van iemand. Maar ik zwijg.

Maks kijkt tussen ons heen en weer. Zijn ogen groot en angstig.

‘Ik wil gewoon dat jullie gelukkig zijn,’ zegt mijn moeder zachter.

‘We doen ons best,’ fluister ik.

Ze legt haar hand op de mijne. Haar vingers koud en ruw van het werken op de boerderij vroeger.

‘Kom eens langs dit weekend,’ zegt ze dan. ‘We eten stoofvlees met frietjes.’

Ik knik langzaam. Misschien moet ik toegeven dat ik het niet alleen kan.

Die nacht lig ik wakker in bed. De regen tikt nog steeds tegen het raam. Ik denk aan vroeger, toen papa nog leefde en we samen aan tafel zaten in het huis op het platteland bij Oudenaarde. Alles leek toen eenvoudiger, veiliger.

Nu is alles anders. Papa is dood, mama verbitterd door het harde leven, Bart leeft in een andere wereld waar geld geen probleem is.

Ik voel me gevangen tussen twee werelden: die van armoede en die van schijnbare perfectie waar ik nooit bij zal horen.

De volgende ochtend is Maks al wakker als ik beneden kom.

‘Mama?’ vraagt hij voorzichtig. ‘Mag ik morgen bij oma logeren?’

Ik knik. ‘Natuurlijk mag dat.’

Hij glimlacht voor het eerst in dagen.

Op weg naar mijn werk fiets ik door de regen langs grauwe huizenblokken en lege bushaltes. In het ziekenhuis groet niemand me echt; ik ben onzichtbaar tussen de dokters en verpleegsters die haastig voorbijlopen.

Tijdens het poetsen luister ik naar gesprekken over vakanties in Spanje en nieuwe auto’s. Ik voel me klein en onbelangrijk.

In de pauze bel ik Bart toch maar op.

‘Hallo?’ klinkt zijn stem afstandelijk.

‘Het is met mij…’ begin ik aarzelend.

‘Wat is er nu weer?’ zucht hij meteen.

Ik slik mijn trots in. ‘Kun je me misschien helpen met Maks zijn schoolfactuur? Het lukt echt niet meer deze maand.’

Hij zucht opnieuw, maar zegt dan: ‘Stuur maar door. Ik zal wel zien wat ik kan doen.’

Dankbaarheid en schaamte vechten om voorrang in mijn borstkas.

Die avond haal ik Maks op bij oma. Ze hebben samen koekjes gebakken en hij straalt als hij me ziet.

‘Het was leuk bij oma,’ zegt hij onderweg naar huis.

Ik glimlach en aai hem over zijn haar. Misschien komt alles ooit goed, denk ik voorzichtig hoopvol.

Maar als ik later alleen aan tafel zit met een kop lauwe thee, komen de twijfels weer terug:

Hoe lang hou ik dit nog vol? Wanneer wordt het eindelijk beter? Of is dit gewoon hoe het leven is voor mensen zoals wij?