Onder de Vlaamse Regen: Het Lot van Els
‘Waarom moet jij altijd alles kapotmaken, Els?’ De stem van mijn moeder galmde nog na in mijn hoofd terwijl ik met trillende handen de deur van ons rijhuis in Gent achter me dichttrok. De regen sloeg tegen mijn jas, maar ik voelde het amper. Mijn hoofd was een warboel van woede, verdriet en schuld. Hoe was het zover kunnen komen?
Het begon die ochtend al. Mijn moeder, Marleen, stond zoals altijd veel te vroeg op. Ze had koffie gezet, maar het rook bitterder dan anders. ‘Els, wanneer ga je nu eindelijk eens iets van je leven maken?’ vroeg ze zonder op te kijken van haar krant. Ik voelde de irritatie opborrelen. ‘Ik doe mijn best, ma. Het is niet zo simpel tegenwoordig.’
Ze zuchtte diep, haar vingers trommelden op de tafel. ‘Iedereen heeft het moeilijk, maar jij… Jij blijft maar hangen. Je bent dertig, woont nog thuis en werkt parttime in een bakkerij. Je zus heeft tenminste een diploma en een vaste job bij de stad.’
Mijn zus Sofie. Altijd het voorbeeld. Altijd perfect. Ik voelde de oude jaloezie weer opkomen, maar ik slikte mijn woorden in. ‘Niet iedereen is zoals Sofie,’ zei ik zacht.
‘Nee, dat is duidelijk,’ beet mijn moeder me toe.
Ik kon het niet meer aanhoren. Ik griste mijn jas van de kapstok en stormde naar buiten, de regen in. Mijn schoenen gleden bijna uit over de gladde stoeptegels, maar ik bleef lopen tot ik buiten adem was. Ik belandde in het Citadelpark en plofte neer op een natte bank. Mijn gedachten tolden.
Waarom voelde ik me altijd zo tekortschieten? Was het omdat papa zo vroeg gestorven was? Sindsdien was alles veranderd. Mijn moeder werd harder, Sofie werd ambitieuzer, en ik… Ik bleef achter. Ik had nooit geweten wat ik wilde doen met mijn leven. De universiteit was niets voor mij geweest; na twee jaar psychologie was ik gestopt. Sindsdien werkte ik in de bakkerij van meneer De Smet, waar ik elke ochtend om vijf uur brood stond te kneden.
‘Els?’ Ik schrok op uit mijn gedachten. Het was Pieter, een oude vriend van school. Zijn haar was natgeregend en zijn bril beslagen. ‘Alles oké?’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Gewoon ruzie thuis.’
Hij knikte begrijpend. ‘Wil je ergens iets gaan drinken? Even weg van alles?’
We gingen naar een klein café aan de overkant van het park. De geur van koffie en warme appeltaart vulde de ruimte. Pieter praatte over zijn werk als leerkracht, zijn vriendin Anke, hun plannen om samen te wonen in Sint-Amandsberg. Ik luisterde half, gevangen in mijn eigen zorgen.
‘Je moet niet blijven hangen in wat je moeder zegt,’ zei hij plots. ‘Je bent meer dan haar verwachtingen.’
Ik lachte schamper. ‘Dat zeg jij nu wel, maar zij ziet dat anders.’
‘Misschien moet je gewoon eens iets voor jezelf doen,’ stelde hij voor.
Die woorden bleven hangen toen ik later die dag terug naar huis liep. De regen was gestopt, maar de lucht bleef grijs en zwaar. Thuis was het stil; mijn moeder zat voor de tv, Sofie was er niet.
‘Waar was je?’ vroeg ze zonder op te kijken.
‘Wandelen,’ antwoordde ik kortaf.
Ze snoof. ‘Je loopt altijd weg als het moeilijk wordt.’
‘Misschien omdat jij nooit luistert!’ riep ik uit.
Ze draaide zich naar me om, haar ogen fel. ‘Ik wil alleen dat je gelukkig bent!’
‘Nee, je wilt dat ik ben zoals Sofie!’
Er viel een pijnlijke stilte. Mijn moeder keek weg, haar schouders zakten.
‘Je weet niet hoe moeilijk het voor mij is sinds papa er niet meer is,’ fluisterde ze.
Ik voelde mijn boosheid wegebben en maakte plaats voor verdriet. ‘Voor mij ook niet, ma.’
Die avond lag ik wakker in bed, luisterend naar het zachte getik van de regen tegen het raam. Mijn gedachten gingen terug naar vroeger: papa die me leerde fietsen langs de Leie, mama die lachte toen we samen pannenkoeken bakten op Lichtmis, Sofie en ik die stiekem haar make-up probeerden als kinderen.
Waar was het misgelopen? Was het echt gewoon pech? Of karma? Of waren we allemaal gewoon mensen die hun best deden met wat ze hadden?
De volgende ochtend stond ik vroeger op dan gewoonlijk. Ik bakte eieren voor mama en zette koffie zoals zij dat graag had: sterk en zwart.
Ze kwam de keuken binnen, verrast door de geur.
‘Goedemorgen,’ zei ik voorzichtig.
Ze knikte en ging zitten. We aten samen in stilte.
Na het ontbijt keek ze me aan. ‘Misschien moeten we eens praten… Echt praten.’
Ik knikte langzaam. ‘Ja, dat denk ik ook.’
Het gesprek dat volgde was pijnlijk en eerlijk. We spraken over papa’s dood, over verwachtingen en teleurstellingen, over liefde die soms verstopt zit onder lagen van frustratie en verdriet.
Sofie kwam later die dag thuis en vond ons samen huilend aan de keukentafel.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ze bezorgd.
‘We proberen elkaar terug te vinden,’ zei mama zacht.
Sofie glimlachte flauwtjes en sloot zich bij ons aan.
Het zal nooit perfect zijn tussen ons drieën – daarvoor is er te veel gebeurd – maar misschien hoeft dat ook niet. Misschien is familie gewoon samen blijven zoeken, zelfs als je elkaar soms kwetst.
Soms vraag ik me af: zijn we echt het slachtoffer van ons lot? Of kunnen we zelf kiezen om dingen anders te doen? Wat denken jullie: is geluk een kwestie van karma of van moed?