Het huis waar de herfst woont

‘Ze is dood, Jagoda. Mama is dood.’

De stem van mijn zus, Sofie, trilde door de telefoon. Ik hoorde haar snikken, ergens ver weg in een ziekenhuis in Brugge. Mijn vingers klemden zich om het koude plastic van mijn gsm. Ik zei niets. Ik voelde niets. Enkel het zachte gezoem van de TL-lamp boven het trappenhuis, het licht dat flakkerde als een ademhaling die op haar einde liep.

‘Heb je me gehoord?’ vroeg Sofie, haar stem nu scherp. ‘Jagoda? Zeg toch iets!’

Ik drukte op het rode knopje. Stilte. Mijn benen gaven het op en ik liet me zakken op de betonnen trap, tussen het derde en vierde verdiep van ons appartementsblok in Gent. Hier, waar de muren volgekrabbeld waren met telefoonnummers en vergeten liefdesverklaringen, waar de geur van natte jassen en oude soep altijd bleef hangen, voelde ik me thuis en tegelijk nergens.

Mijn moeder was dood. En ik had geen traan.

De herfst hing in de lucht. Door het raam zag ik hoe de regen de bladeren tegen de stoep plakte. In onze wijk – Rabot – was alles altijd een beetje grijs, maar vandaag leek het alsof zelfs de lucht niet meer wist wat ze moest voelen.

‘Jagoda!’

Het was mijn buurvrouw, mevrouw De Smet, die haar hoofd om de hoek stak. ‘Gaat het wel?’

Ik knikte, maar ze bleef staan kijken. ‘Je ziet zo bleek, kind. Wil je een tas thee?’

‘Nee, dank u,’ fluisterde ik. Mijn stem klonk vreemd, alsof ze niet bij mij hoorde.

Toen ze weg was, dacht ik aan mama. Aan haar handen die altijd naar sigarettenrook roken, aan haar stem die kon snauwen en sussen in één adem. Aan de avonden dat ze te moe was om te koken en we droge boterhammen aten met platte kaas uit de Colruyt.

Papa was al lang weg. Hij had een nieuwe vrouw in Leuven en stuurde af en toe een kaartje met kerstmis. Sofie was altijd haar lieveling geweest; ik was het kind dat te veel vroeg, te veel dacht, te weinig lachte.

Ik stond op en liep naar ons appartement – nummer 14B. De deur kraakte zoals altijd. Binnen rook het naar oude koffie en natte hond. De zetel stond nog vol vlekken van mama’s laatste ongelukje met rode wijn.

Sofie belde opnieuw. Ik nam op.

‘Jagoda, je moet komen. De begrafenis… Ik kan dat niet alleen regelen.’

‘Waarom ik?’ vroeg ik. ‘Jij was altijd haar favoriet.’

Ze zweeg even. ‘Omdat jij haar dochter bent. Omdat we dit samen moeten doen.’

Ik wilde schreeuwen dat ik niets moest. Dat mama nooit naar mij geluisterd had, nooit gevraagd had hoe het écht met mij ging. Maar ik zei alleen: ‘Wanneer?’

‘Vrijdag om tien uur in de Sint-Baafskathedraal.’

‘Oké.’

Ik hing op en liet me op mama’s zetel vallen. De stof prikte tegen mijn huid. Ik dacht aan vroeger – aan de herfst waarin papa vertrok, aan de nacht dat mama dronken thuiskwam en riep dat alles mijn schuld was.

‘Jij met je grote mond! Altijd tegenwerken! Waarom kun je niet gewoon normaal zijn zoals Sofie?’

Ik was toen twaalf. Sindsdien had ik geleerd mijn mond te houden.

Vrijdag kwam sneller dan verwacht. Ik nam de trein naar Brugge, met een plastic zak vol kleren en een doosje valeriaanpillen tegen de zenuwen. In de trein keek een oude man me aan en glimlachte flauwtjes.

‘Begrafenis?’ vroeg hij plots.

Ik knikte verbaasd.

‘Je ziet eruit alsof je afscheid moet nemen van iemand die je niet goed kende,’ zei hij zacht.

Ik slikte. ‘Misschien is dat zo.’

Op het kerkhof regende het zachtjes. Sofie stond naast me in een zwarte jas die veel te groot was voor haar smalle schouders. Ze pakte mijn hand vast, maar ik trok hem los.

‘Waarom ben je zo koud?’ siste ze toen iedereen weg was.

‘Omdat ik niks voel,’ antwoordde ik eerlijk.

Ze keek me aan met ogen vol haat en verdriet tegelijk.

‘Jij hebt haar nooit begrepen! Jij hebt haar laten vallen!’

‘Zij heeft mij nooit vastgehouden,’ fluisterde ik terug.

We stonden daar nog lang in de regen, tot onze schoenen doorweekt waren en onze vingers blauw zagen van de kou.

Na de begrafenis gingen we samen naar mama’s huis om haar spullen uit te zoeken. Het rook er naar mottenballen en oude parfum. Sofie begon meteen foto’s te sorteren; ik bleef staan bij het raam en keek naar buiten.

‘Weet je nog die keer dat mama ons meenam naar zee?’ vroeg Sofie plots.

Ik knikte vaag. ‘Ze vergat haar portefeuille en we moesten uren wachten tot papa ons kwam halen.’

Sofie lachte schor. ‘Toch was dat één van mijn mooiste herinneringen.’

Ik zweeg. Mijn mooiste herinnering aan mama was een avond waarop ze me voor het slapengaan zachtjes over mijn haren streek – een zeldzaam moment van tederheid tussen al het lawaai.

We vonden een doos met brieven onder mama’s bed. Brieven aan papa, nooit verstuurd.

‘Lieve Jan,’ las Sofie voor, ‘ik weet niet hoe ik dit moet doen zonder jou…’

Ze stopte abrupt en keek me aan.

‘Ze heeft hem altijd gemist,’ zei ze zacht.

‘En ons vergeten,’ antwoordde ik bitter.

Die nacht sliep ik op mama’s oude matras, tussen lakens die naar herfst roken – vochtig, muf, vertrouwd en toch vreemd. In mijn droom stond mama aan het voeteneinde van het bed.

‘Waarom huil je niet om mij?’ vroeg ze.

‘Omdat je nooit echt bij mij was,’ antwoordde ik in mijn droomstem.

Toen ik wakker werd, voelde ik eindelijk iets – geen verdriet, maar een soort leegte die pijn deed tot in mijn botten.

Sofie vertrok terug naar Brugge; ik bleef nog even in het huis waar de herfst woonde. Ik ruimde op, gooide oude pillendoosjes weg, vond een foto van mezelf als kind – lachend naast mama op een bankje in het Citadelpark in Gent.

Misschien had ze toch van mij gehouden, op haar manier.

Op een avond kwam mevrouw De Smet langs met soep en koekjes.

‘Het is zwaar hé, kind?’ zei ze terwijl ze naast me ging zitten.

Ik knikte en liet eindelijk de tranen komen die zo lang vastzaten.

‘Het wordt beter,’ fluisterde ze terwijl ze mijn hand vasthield.

Nu zit ik hier aan mama’s tafel, kijkend naar de bladeren die vallen in de tuin waar ze nooit tijd voor had. Ik vraag me af: kun je rouwen om iemand die je nooit echt hebt gekend? Of rouw je vooral om wat er nooit geweest is?

Wat denken jullie? Hebben jullie ooit afscheid moeten nemen zonder echt afscheid te kunnen nemen?