Drie keer getrouwd, drie keer verloren: Mijn zoektocht naar liefde en de angst voor eenzaamheid

‘Waarom ben jij nooit tevreden, Katrien? Wat ik ook doe, het is nooit goed genoeg!’ De stem van mijn tweede man, Bart, galmt nog na in mijn hoofd, zelfs jaren nadat hij vertrokken is. Ik staar naar het lege wijnglas op tafel, mijn vingers trillen lichtjes. Hoe ben ik hier weer beland? Drie keer getrouwd, drie keer verloren. En nu, op een regenachtige avond in Gent, voel ik de muren van mijn appartement dichterbij kruipen dan ooit tevoren.

Mijn eerste huwelijk was met Tom. We leerden elkaar kennen op de universiteit in Leuven. Hij was charmant, ambitieus en had een glimlach die zelfs de meest norse professor kon ontwapenen. Mijn ouders, vooral mijn moeder, waren dol op hem. ‘Eindelijk een man die je kan leiden, Katrien,’ zei ze op onze verlovingsdag. Ik lachte toen, maar diep vanbinnen voelde ik een knoop in mijn maag. Was ik dan zo stuurloos?

De eerste jaren waren mooi. We fietsten samen langs de Dijle, dronken pintjes op het Ladeuzeplein en droomden van een huisje in de Vlaamse Ardennen. Maar na onze verhuis naar Brussel veranderde alles. Tom werkte lange uren bij een consultancybedrijf en ik voelde me steeds meer een meubelstuk in ons appartement. ‘Je moet meer initiatief nemen,’ zei hij vaak. ‘Ik kan niet altijd alles voor jou regelen.’

Op een avond kwam hij thuis met de geur van parfum die niet van mij was. Ik vroeg niets, maar hij keek me niet meer aan zoals vroeger. De stilte tussen ons werd een kloof die niet meer te overbruggen viel. Na drie jaar huwelijk stond ik weer alleen op het perron van Brussel-Centraal, met een koffer vol kleren en gebroken dromen.

Mijn ouders waren teleurgesteld. ‘Je hebt niet genoeg je best gedaan,’ zei mijn moeder. Mijn vader zweeg, maar zijn blik sprak boekdelen. Ik probeerde hun goedkeuring terug te winnen door alles perfect te doen: een goede job zoeken, altijd beleefd zijn op familiefeesten, nooit klagen.

Toen ontmoette ik Bart tijdens een bedrijfsfeest in Antwerpen. Hij was anders dan Tom: zachter, gevoeliger, en hij luisterde écht naar me. We deelden onze liefde voor literatuur en jazzavonden in kleine cafés aan het Zuid. Ik dacht dat ik eindelijk gevonden had wat ik zocht.

Maar na ons huwelijk begon Bart steeds meer te drinken. Zijn job bij de bank drukte zwaar op hem en hij verloor zichzelf in zijn zorgen. Op avonden dat hij te veel op had, werd hij bitsig en onvoorspelbaar. ‘Jij begrijpt mij niet,’ riep hij eens terwijl hij een glas tegen de muur gooide. ‘Je wilt altijd alles onder controle houden!’

Ik probeerde hem te helpen: therapie voorstellen, samen op vakantie gaan naar de Ardennen, zelfs koken volgens zijn moeders recepten om hem thuis te laten voelen. Maar niets hielp. Op een dag vond ik hem huilend op de keukenvloer. ‘Ik kan dit niet meer,’ fluisterde hij. Twee weken later was hij weg.

Mijn familie reageerde met onbegrip. ‘Misschien moet je eens naar jezelf kijken,’ zei mijn zus Sofie tijdens een barbecue in hun tuin in Mechelen. ‘Twee huwelijken die mislukken… dat kan toch geen toeval zijn?’ Ik slikte mijn tranen weg en lachte geforceerd mee met haar mopjes over haar kinderen.

De jaren gingen voorbij en ik stortte me op mijn werk als leerkracht Nederlands in een middelbare school in Gentbrugge. Mijn leerlingen gaven me energie en afleiding, maar ’s avonds voelde mijn appartement kouder dan ooit.

Toen kwam Luc in mijn leven – een weduwnaar met twee volwassen kinderen uit Kortrijk. Hij was warm, attent en leek mijn littekens te begrijpen zonder dat ik ze hoefde uit te leggen. We trouwden snel, misschien te snel.

Zijn kinderen zagen me als een indringer. Op familiefeesten voelde ik hun blikken prikken als spelden in mijn rug. ‘Papa is veranderd sinds jij er bent,’ zei zijn dochter Lien eens tijdens het kerstdiner. Luc probeerde te bemiddelen, maar de spanning bleef hangen als mist boven de Leie.

Na twee jaar begon Luc zich terug te trekken. Hij bracht meer tijd door bij zijn vrienden in het café dan thuis bij mij. Op een avond kwam hij thuis en zei: ‘Katrien, misschien zijn wij gewoon niet voor elkaar gemaakt.’ Mijn hart brak opnieuw.

Nu zit ik hier, vijftig jaar oud, alleen in mijn appartement met uitzicht op de Sint-Baafskathedraal. Mijn ouders zijn oud en ziek; mijn zus woont met haar gezin in Spanje; mijn vrienden zijn druk met hun eigen leven. Soms lijkt het alsof ik doorzichtig ben geworden voor de wereld.

De stilte is oorverdovend. Ik probeer mezelf wijs te maken dat ik gelukkig ben met mijn boeken, mijn planten en af en toe een wandeling langs de Graslei. Maar ’s nachts lig ik wakker en vraag ik me af: wat heb ik verkeerd gedaan? Heb ik te veel gegeven? Of net te weinig?

Op familiefeesten voel ik me altijd het buitenbeentje – de tante zonder man of kinderen, die altijd net iets te lang blijft hangen bij het dessertbuffet omdat ze weet dat niemand haar thuis verwacht.

Soms denk ik terug aan die jonge vrouw op het Ladeuzeplein – vol dromen en hoop – en vraag ik me af waar ze gebleven is. Ben ik haar kwijtgeraakt door telkens opnieuw te proberen voldoen aan andermans verwachtingen? Of was het mijn eigen verlangen naar liefde dat me verblindde voor wat echt belangrijk was?

‘Misschien ben jij gewoon niet gemaakt om gelukkig te zijn,’ fluisterde Bart ooit tijdens een van onze ruzies. Die woorden blijven hangen als mist in mijn hoofd.

Toch blijf ik hopen – hopen dat er nog vriendschap of liefde mogelijk is, zelfs nu de tijd sneller lijkt te gaan dan ooit tevoren.

Is het erg om bang te zijn voor eenzaamheid? Of is het juist menselijk om te verlangen naar verbondenheid? Wat denken jullie: is het beter om alleen te zijn dan telkens opnieuw gekwetst te worden?