Alleen in de menigte: een winterse ochtend op tram 4

‘Mevrouw, mag ik even passeren? Alstublieft, ik moet eruit!’ Mijn stem trilt, maar niemand reageert. De tram schokt over de bevroren rails van de Turnhoutsebaan, en ik voel het zweet onder mijn dikke sjaal. Buiten is het min vijf, binnen ruikt het naar natte wol en goedkope sigaretten. Mijn rugzak duwt tegen de benen van een oude dame, die me een vernietigende blik toewerpt.

Het is maandagochtend, kwart voor acht. Ik ben onderweg naar de universiteit, zoals elke dag. Mijn gedachten dwalen af naar het examen dat ik straks heb, tot plots de deuren openschuiven aan de halte Plantin. Een man stapt op. Hij lijkt rond de vijftig, draagt een versleten jas en zijn wangen zijn rood van de kou. Hij strompelt, grijpt de gele stang vast alsof hij elk moment kan vallen.

‘Amai, die is goed zat,’ fluistert een jongen achter me tegen zijn vriendin. Zij giechelt ongemakkelijk en draait haar hoofd weg. Ik kijk beter. De man’s ogen zijn waterig, maar niet glazig. Zijn handen trillen, zijn ademhaling is snel en oppervlakkig. Hij probeert zich staande te houden terwijl de tram weer optrekt.

Niemand kijkt hem aan. Iedereen staart naar hun gsm of uit het raam. Ik voel een steek van schaamte – waarom doe ik zelf niets? Mijn moeder’s stem klinkt in mijn hoofd: ‘Ge moet altijd helpen waar ge kunt, Lotte.’ Maar wat als hij agressief wordt? Wat als ik me vergis?

De man zakt langzaam door zijn knieën. Zijn hoofd knikt naar voren, zijn hand glijdt van de stang. ‘Meneer? Gaat het?’ Mijn stem klinkt klein in de drukte. Hij kijkt op, zijn lippen blauwachtig. ‘Ik… ik voel mij niet goed…’ fluistert hij.

‘Laat hem gerust, hij is gewoon zat,’ zegt een vrouw met een dikke bontkraag luid genoeg voor iedereen. ‘Dat soort volk moet ge niet helpen.’

Ik voel mijn hart bonzen. ‘Nee, hij is ziek,’ zeg ik, luider dan ik bedoel. Ik duw mezelf tussen de mensen door en kniel naast hem neer. ‘Meneer, kunt ge mij horen?’

Zijn adem ruikt niet naar alcohol, eerder naar oud brood en iets chemisch. ‘Mijn suiker…’ mompelt hij. Ik zoek in zijn jaszakken en vind een lege insulinepen.

‘Heeft iemand suiker bij?’ roep ik wanhopig. Niemand beweegt. Een jonge man met oortjes kijkt even op en draait zich dan om.

Ik graai in mijn rugzak en vind een halfgesmolten reep chocolade. ‘Hier, eet dit alstublieft.’ Zijn handen trillen zo hard dat ik het stukje zelf in zijn mond moet stoppen.

De tram stopt abrupt aan het station Astrid. ‘Iedereen uitstappen! Technisch probleem!’ roept de chauffeur nors.

De menigte duwt zich naar buiten. Ik blijf bij de man zitten tot de tram leeg is. De kou slaat meteen toe als de deuren open blijven staan.

‘Moet ik een ambulance bellen?’ vraag ik zachtjes.

Hij knikt zwak. Ik bel 112 met trillende vingers. Terwijl ik wacht, komt de chauffeur binnen.

‘Wat is hier aan de hand?’ vraagt hij nors.

‘Deze meneer heeft een hypo,’ zeg ik. ‘Hij heeft dringend hulp nodig.’

De chauffeur zucht diep, maar belt dan toch zelf ook naar de dispatching.

De ambulance arriveert snel. Twee verplegers nemen het over en bedanken me kort. De man kijkt me aan met vochtige ogen: ‘Merci, meisje… zonder u…’

Ik knik alleen maar en stap trillend uit de tram.

Buiten op het perron belt mijn moeder net op dat moment. ‘Lotte? Zijt ge al bijna op school? Ge moet u haasten!’

‘Mama… ik heb iemand moeten helpen…’ Mijn stem breekt.

‘Altijd gij weer,’ zucht ze. ‘Ge moogt u niet altijd zo laten meeslepen met andermans miserie.’

‘Maar wat als niemand iets doet?’ fluister ik.

Ze zwijgt even aan de andere kant van de lijn.

Thuis die avond zwijgt papa aan tafel terwijl mama haar soep roert alsof ze er haar frustratie in kwijt wil. Mijn broer Bram lacht: ‘Weeral heldin gespeeld zeker? Ge zijt toch zot, zus.’

Ik voel me leeg en boos tegelijk. Waarom is het zo moeilijk om gewoon menselijk te zijn? Waarom kijkt iedereen weg?

Die nacht lig ik wakker en hoor nog steeds het geroezemoes van de tram, het onverschillige gemompel van de mensen om mij heen.

Wat zou jij doen als je alleen stond tussen een menigte die wegkijkt? Is het naïef om te blijven geloven dat één persoon het verschil kan maken?