De Schaduw van Staś: Een Vlaamse Studentenflat en een Onuitgesproken Geheim

‘Zet dat bord nu weg, Sofie! Ge weet toch dat mama daar niet mee kan lachen!’

De stem van Pieter trilde, maar Sofie lachte alleen maar schamper. ‘Komaan, Pieter, ge zijt toch geen klein kind meer? Het is gewoon voor de fun.’

Ik zat op de rand van de versleten sofa in onze studentenflat in Gent, mijn hart bonkte in mijn keel. Het was een regenachtige donderdagavond in november, en buiten sloegen de druppels tegen het raam. Mijn vrienden – Pieter, Bram en Jeroen – waren mijn huisgenoten geworden sinds ik uit Leuven naar Gent was verhuisd voor mijn studies psychologie. We waren allemaal even oud, allemaal even zoekend naar onszelf, en al snel werden we een hechte bende.

Die avond was anders. Sofie, Pieters jongere zus, was op bezoek met haar twee vriendinnen, Annelies en Lotte. Ze hadden wijn meegebracht en een ouijabord dat ze ergens op een rommelmarkt hadden gevonden. Ik had altijd gedacht dat zo’n dingen onzin waren, maar de spanning in de kamer was tastbaar toen we onze vingers op het glas legden.

‘Is er iemand hier met ons?’ fluisterde Lotte met een overdreven dramatische stem.

Het glas begon te bewegen. Eerst aarzelend, dan sneller. Ik voelde Bram naast mij verstijven.

‘Wie zijt ge?’ vroeg Sofie.

Het glas gleed over de letters: S-T-A-Ś.

‘Staś?’ herhaalde Pieter verbaasd. ‘Dat is geen Vlaamse naam.’

‘Misschien Pools?’ fluisterde Annelies.

Het glas bewoog opnieuw: J-O-N-G-E-N.

‘Een jongen,’ zei Lotte zacht. ‘Hoe oud zijt ge?’

Het antwoord kwam: 7.

Plots viel de elektriciteit uit. De kamer werd opgeslokt door duisternis. Sofie giechelde zenuwachtig, maar ik voelde een ijzige rilling over mijn rug glijden. In het flauwe schijnsel van onze gsm’s keken we elkaar aan.

‘Dit is niet grappig meer,’ zei Bram met trillende stem.

Die nacht sliep niemand goed. Ik hoorde Pieter in zijn kamer heen en weer ijsberen. De volgende ochtend vond ik hem in de keuken, bleek en met wallen onder zijn ogen.

‘Geloofde gij daar iets van?’ vroeg hij zachtjes terwijl hij koffie inschonk.

Ik haalde mijn schouders op. ‘Waarschijnlijk heeft iemand het glas geduwd. Maar… het voelde wel vreemd.’

Pieter keek me aan, zijn ogen waterig. ‘Mijn grootmoeder was Pools, weet ge. Ze vertelde vroeger altijd verhalen over een neefje dat gestorven is toen hij zeven was. Hij heette Staś.’

Die bekentenis liet me niet los. De sfeer in het appartement veranderde. Kleine dingen gebeurden: lichten die flikkerden, deuren die vanzelf dichtvielen, koude plekken in de gang. Bram werd steeds stiller en Jeroen begon te klagen over nachtmerries waarin een jongetje hem iets probeerde te vertellen.

Op een avond, terwijl we samen naar een film keken, barstte Pieter plots uit:

‘Waarom hebt ge dat bord niet gewoon weggegooid, Sofie? Sindsdien is er iets mis hier!’

Sofie keek hem aan met een mengeling van schuld en koppigheid. ‘Het is maar een spelletje! Ge moet niet alles zo serieus nemen.’

Maar Pieter gaf niet toe. ‘Ge weet niet wat ge gedaan hebt! Ge hebt iets opengezet dat beter dicht bleef.’

De spanning tussen broer en zus werd ondraaglijk. Sofie kwam steeds minder langs en als ze er was, was er altijd ruzie. Mijn vrienden begonnen elkaar te wantrouwen; elke keer als er iets vreemds gebeurde, werd er met de vinger gewezen.

Op een nacht werd ik wakker van gefluister op de gang. Ik sloop naar buiten en zag Pieter gehurkt zitten voor de deur van de badkamer, zijn hoofd in zijn handen.

‘Staś… laat ons gerust… alsjeblieft…’ snikte hij zachtjes.

Ik wist niet wat te doen. Moest ik hem troosten? Moest ik zeggen dat het allemaal verbeelding was? Maar diep vanbinnen voelde ik het ook: er hing iets in de lucht dat niet te verklaren viel.

De weken gingen voorbij en de sfeer werd steeds grimmiger. Op een dag kwam Bram thuis met nieuws: zijn grootvader was plots overleden. De begrafenis was zwaar; Bram leek gebroken toen hij terugkwam.

‘Weet ge wat het ergste is?’ zei hij tegen mij terwijl we samen op het balkon stonden te roken. ‘Mijn grootvader had altijd schrik van geesten. Hij zei altijd dat sommige zielen nooit rust vinden.’

Ik zweeg. Wat moest ik zeggen? Dat ik geloofde dat we iets hadden losgemaakt? Dat ik bang was?

Op een avond besloten we het ouijabord te verbranden op de binnenkoer achter ons gebouw. We stonden met z’n vieren rond het vuurtje – Pieter, Bram, Jeroen en ik – terwijl Sofie toekeek vanop afstand.

Het bord vatte vlam en kraakte luid terwijl het verbrandde. Plots stak er een wind op die het vuur bijna deed doven. We keken elkaar aan, niemand durfde iets te zeggen.

Na die avond werd het langzaam rustiger in huis. De lichten stopten met flikkeren, deuren bleven dicht zoals het hoorde, en de koude plekken verdwenen. Maar onze vriendschap was veranderd; er hing iets tussen ons dat nooit meer helemaal verdween.

Jaren later, nu ik zelf kinderen heb en terugdenk aan die tijd in Gent, vraag ik me af wat er echt gebeurd is die novemberavond. Was het allemaal toeval? Of hebben we echt iets aangeraakt dat beter met rust gelaten werd?

Soms hoor ik nog Pieter zijn stem in mijn hoofd: ‘Ge weet niet wat ge gedaan hebt.’ En dan vraag ik me af: hoeveel geheimen dragen wij mee zonder het te beseffen? En wat als sommige deuren écht beter gesloten blijven?