Hoe kan je mij nu niet zien?

‘Hoe kan je mij nu niet zien?’ Mijn stem trilde terwijl ik het uitsprak, mijn handen wit omklemd rond de rand van de lavabo. In de spiegel zag ik mijn eigen ogen, rood omrand van de tranen die ik koste wat het kost probeerde binnen te houden. Karolien stond achter mij, haar lippen felrood gestift, haar blik vastberaden. ‘Hij kijkt gewoon niet goed, Sofie. Straks op het personeelsfeest, dan zal hij wel moeten.’

Ik draaide me om. ‘Karolien, misschien… Misschien is hij gewoon niet geïnteresseerd?’ Mijn stem klonk zachter dan ik wilde. Ze snoof. ‘Dat is onzin. Elke man valt voor mij als ik het wil. Je weet dat toch?’

Het was altijd zo geweest tussen ons. Zij de zon, ik haar schaduw. Op school, op café, zelfs nu op het werk bij die verzekeringsmaatschappij in Gent. Karolien was altijd degene die lachte, die mensen om haar vinger wond. En ik? Ik was de luisteraar, de stille kracht op de achtergrond. Maar vanavond voelde alles anders.

‘Sofie, help me met mijn haar. Ik wil dat het perfect zit als ik straks met Tom praat.’

Tom. De nieuwe collega van IT. Stil, een beetje verlegen, maar met een glimlach die iets in mij deed bewegen wat ik niet wilde voelen. Karolien had haar zinnen op hem gezet sinds zijn eerste dag. En ik… ik probeerde mijn gevoelens te verstoppen achter grapjes en een overdreven interesse in Excel-formules.

‘Je weet toch dat hij een vriendin heeft?’ probeerde ik voorzichtig.

Karolien lachte schamper. ‘Een vriendin in Leuven, Sofie. Dat telt niet. Hier is hij vrij spel.’

Ik slikte en begon haar haar te vlechten zoals ze het graag had. Mijn vingers trilden lichtjes.

Het personeelsfeest was in een zaaltje aan de rand van de stad. De geur van lauwe vol-au-vent en goedkope cava hing in de lucht. Iedereen lachte, praatte luid over targets en bonussen, terwijl de muziek uit de boxen schalde.

Karolien stond al snel naast Tom, haar hand op zijn arm, haar lach luid en aanstekelijk. Ik keek toe vanop afstand, een glas wijn in mijn hand dat ik nauwelijks aanraakte.

‘Sofie!’ Mijn chef, meneer De Smet, kwam naast me staan. ‘Waarom sta jij hier zo alleen? Kom dansen!’

Ik glimlachte flauwtjes en schudde mijn hoofd. ‘Ik kijk liever even toe.’

Plots zag ik Tom naar buiten lopen, zijn gezicht gespannen. Karolien volgde hem op de voet. Iets in haar houding deed me huiveren.

Ik twijfelde even, maar liep hen achterna naar het rokersterras achteraan het gebouw.

‘Tom, wacht nu even!’ hoorde ik Karolien zeggen.

‘Karolien, ik heb gezegd dat ik geen interesse heb,’ antwoordde Tom zacht maar beslist.

‘Waarom niet? Wat heeft zij wat ik niet heb?’ Haar stem brak.

Ik bleef staan in de deuropening, onzichtbaar in de schaduw.

‘Het gaat niet om wie wat heeft,’ zei Tom. ‘Ik ben gewoon niet op zoek naar iets hier.’

Karolien draaide zich om en zag mij staan. Haar ogen vlamden van woede en verdriet.

‘Zie je wel, Sofie? Zelfs jij komt kijken! Altijd ben jij daar als er iets gebeurt! Altijd sta jij te wachten tot je mijn kruimels kan oprapen!’

Haar woorden sneden dieper dan ik wilde toegeven.

‘Dat is niet waar,’ fluisterde ik.

‘Nee? Waarom volg je me dan altijd? Waarom ben je altijd zo… zo aanwezig zonder echt iets te zeggen?’

Tom keek ongemakkelijk weg.

‘Misschien omdat ik ook gevoelens heb,’ zei ik plots, harder dan bedoeld.

Het werd stil. Zelfs de muziek binnen leek te verstommen.

Karolien lachte bitter. ‘Voor wie? Voor Tom? Of voor mij?’

Ik wist het zelf niet meer. Alles draaide door elkaar in mijn hoofd: vriendschap, jaloezie, verlangen om eindelijk eens gezien te worden voor wie ík was.

‘Voor mezelf,’ zei ik uiteindelijk. ‘Ik ben het beu om altijd jouw schaduw te zijn.’

Karolien keek me aan alsof ze me voor het eerst zag.

‘Misschien moet je dan eens leren stralen,’ siste ze en liep weg.

Tom bleef staan, zijn handen diep in zijn zakken.

‘Sorry,’ zei hij zacht. ‘Dit had niet moeten gebeuren.’

‘Nee,’ antwoordde ik. ‘Maar misschien moest het wel.’

Die nacht sliep ik nauwelijks. In mijn kleine appartementje aan de Dampoort lag ik wakker, luisterend naar het geluid van de regen tegen het raam. Mijn gsm bleef stil; geen berichtje van Karolien.

De dagen daarna op kantoor waren ongemakkelijk stil. Karolien negeerde me ostentatief. Tom groette beleefd maar hield afstand.

Thuis belde mijn moeder uit Aalst: ‘Sofie, wanneer kom je nog eens langs? Je vader vraagt naar je.’

Ik zuchtte diep. Mijn ouders begrepen nooit waarom ik naar Gent was verhuisd – ‘zo ver weg van alles wat je kent’ – en waarom ik geen vaste relatie had zoals mijn zus Els met haar man Bart en hun twee kinderen.

‘Misschien dit weekend,’ loog ik.

Vrijdagavond zat ik alleen in mijn keuken met een bord spaghetti en een glas wijn toen er plots op mijn deur werd geklopt.

Karolien stond daar, mascara uitgelopen, haar jas nat van de regen.

‘Mag ik binnenkomen?’ vroeg ze zacht.

Ik knikte en zette thee terwijl zij zwijgend aan tafel ging zitten.

‘Het spijt me,’ zei ze uiteindelijk. ‘Ik… Ik was jaloers. Niet op Tom, maar op jou. Jij bent altijd zo rustig, zo zeker van jezelf zonder dat je het hoeft te tonen.’

Ik lachte schamper. ‘Als je eens wist hoe onzeker ik ben.’

Ze pakte mijn hand vast over tafel.

‘Misschien moeten we allebei eens leren onszelf te zijn zonder ons aan elkaar vast te klampen,’ zei ze.

We zaten daar lang in stilte, luisterend naar de regen die langzaam ophield.

Op maandag stapte ik het kantoor binnen met opgeheven hoofd. Karolien glimlachte voorzichtig naar me; Tom knikte vriendelijk.

Misschien zou alles anders worden vanaf nu – of misschien ook niet. Maar voor het eerst voelde ik dat het oké was om mezelf te zijn, zelfs als niemand anders dat meteen zag.

En soms vraag ik me af: hoeveel mensen lopen er rond in hun eigen schaduw zonder dat iemand het merkt? Wanneer durven we eindelijk zelf naar buiten te stappen?