We zijn maar vrienden: een leven tussen verlangen en verwachtingen

‘Waarom neem je nu pas op, Sofie?’ Tom zijn stem klinkt gejaagd aan de andere kant van de lijn. Ik staar naar mijn halflege bord spaghetti, de geur van tomatensaus hangt zwaar in mijn kleine keuken in Gent. ‘Sorry, ik was aan het eten,’ mompel ik, terwijl ik mijn vork neerleg. Het is zo’n typische dinsdagavond waarop de regen tegen het raam tikt en de stad zich lijkt terug te trekken in zichzelf.

‘Ik moest je gewoon horen,’ zegt hij zachter. ‘Het was zo’n rare dag op het werk. Alles lijkt mis te lopen.’

Ik voel zijn onrust door de telefoon heen. Tom en ik zijn al jaren vrienden, onafscheidelijk sinds onze studententijd aan de UGent. Maar de laatste maanden is er iets veranderd. Of misschien ben ik het die veranderd ben. Ik betrap mezelf erop dat ik zijn stem mis als ik hem niet hoor, dat ik jaloers ben als hij over andere vrouwen praat. Maar we zijn maar vrienden, toch?

‘Wil je straks afspreken?’ vraagt hij plots. ‘Gewoon even wandelen? Ik kan niet slapen de laatste tijd.’

Ik aarzel. Mijn moeder zou zeggen dat ik beter thuis blijf, dat het niet hoort om ’s avonds laat met een man op straat te lopen, zelfs niet als het Tom is. Maar ik ben geen kind meer. Toch voel ik haar stem in mijn hoofd: ‘Sofie, wanneer ga je nu eindelijk eens serieus worden? Je bent al dertig, je woont nog altijd alleen, geen man, geen kinderen…’

‘Ja, kom maar af,’ zeg ik uiteindelijk. ‘Ik heb toch niks gepland.’

Een uur later staan we samen onder een lantaarnpaal aan de Graslei. De regen is opgehouden maar de lucht ruikt nog naar natte stenen en oude verhalen. Tom steekt een sigaret op en kijkt me aan met die blik die alles en niets tegelijk zegt.

‘Soms denk ik dat ik alles verkeerd doe,’ zegt hij plots. ‘Mijn ouders verwachten zoveel van mij. Mijn vader wil dat ik het familiebedrijf overneem, maar ik wil dat helemaal niet. Ik wil gewoon… iets anders.’

Ik knik. ‘Mijn moeder vraagt elke week wanneer ik eindelijk eens iemand ga voorstellen. Alsof geluk alleen bestaat als je met twee bent.’

Hij lacht schamper. ‘Ze zouden ons samen moeten zien. Dan zouden ze misschien stoppen met zagen.’

Het blijft even stil tussen ons. Ik voel mijn hart sneller kloppen. Zou hij…? Nee, Sofie, niet dromen.

‘Weet je nog die zomer in Oostende?’ vraagt hij plots. ‘Toen we tot zonsopgang op het strand zaten en jij zei dat je nooit wilde trouwen?’

Ik glimlach flauwtjes. ‘Dat was toen. Nu weet ik het niet meer zo zeker.’

Hij gooit zijn sigaret weg en draait zich naar mij toe. ‘Soms denk ik dat we gewoon bang zijn om te kiezen.’

Die nacht slaap ik nauwelijks. Zijn woorden blijven door mijn hoofd malen. Ben ik bang om te kiezen? Of ben ik gewoon bang om alleen te blijven?

De volgende ochtend word ik wakker van een berichtje van mijn moeder: ‘Kom je dit weekend eten? Je vader vraagt naar je.’ Ik zucht en stuur terug: ‘Ja, mama.’

Op zaterdag zit ik aan tafel in het ouderlijk huis in Lokeren. Mijn moeder schept stoofvlees op mijn bord en kijkt me onderzoekend aan.

‘Je ziet er moe uit, Sofie. Werk je te hard? Of is er iets anders?’

‘Het gaat wel, mama,’ lieg ik.

Mijn vader leest de krant maar kijkt over de rand heen als mijn moeder begint over kinderen van haar collega’s die allemaal trouwen of samenwonen.

‘En Tom?’ vraagt ze plots.

Ik verslik me bijna in mijn water. ‘Wat bedoel je?’

‘Jullie zijn altijd samen,’ zegt ze schouderophalend. ‘Is dat nu vriendschap of…’

‘We zijn maar vrienden, mama,’ onderbreek ik haar snel.

Ze zucht diep, alsof ze teleurgesteld is in een examen waarvan ze het resultaat al kende.

Na het eten help ik haar met de afwas. Ze zwijgt, maar haar blik spreekt boekdelen.

Op weg naar huis denk ik na over alles wat ze gezegd heeft. Waarom voelt het alsof ik constant moet kiezen tussen wat zij willen en wat ik zelf wil?

Die avond stuurt Tom me een bericht: ‘Zin om morgen samen te brunchen? Ik heb iets te vertellen.’

Mijn hart slaat over. Wat zou hij willen zeggen? Zou hij… Nee, Sofie, niet hopen.

De volgende ochtend zitten we samen in een klein caféetje aan de Korenmarkt. Tom friemelt zenuwachtig aan zijn tas.

‘Sofie… Ik heb een jobaanbieding gekregen in Brussel. Het is een kans die ik niet kan laten liggen.’

Mijn adem stokt. Brussel? Dat is niet het einde van de wereld, maar toch voelt het alsof hij verdwijnt uit mijn leven.

‘Wanneer vertrek je?’ vraag ik zacht.

‘Volgende maand al.’

Ik knik en probeer te glimlachen, maar binnenin breekt er iets.

‘En wij dan?’ floept eruit voor ik het kan tegenhouden.

Hij kijkt me lang aan. ‘Dat weet ik niet, Sofie. Misschien moeten we eindelijk eerlijk zijn tegen elkaar.’

Ik voel tranen prikken achter mijn ogen. ‘Eerlijk over wat?’

Hij pakt mijn hand vast over tafel. ‘Over wat we voelen.’

De tijd lijkt stil te staan terwijl we elkaar aankijken. Buiten raast het leven verder: trams rinkelen voorbij, toeristen lachen luidruchtig, iemand laat een kopje vallen.

‘Ik weet niet hoe het verder moet zonder jou,’ fluister ik.

Hij knijpt zacht in mijn hand. ‘Misschien moeten we het gewoon proberen… samen.’

Maar nog voor ik iets kan zeggen, rinkelt zijn telefoon. Zijn moeder. Hij neemt op en zijn gezicht betrekt meteen.

‘Papa heeft een hartaanval gehad,’ zegt hij bleek als hij ophangt.

Alles verandert op dat moment. Tom springt recht en haast zich naar buiten, ik blijf verdwaasd achter met twee koffies die koud worden.

De dagen daarna hoor ik weinig van hem. Zijn vader ligt in kritieke toestand in het ziekenhuis in Aalst en Tom slaapt bij zijn moeder thuis.

Ik stuur hem elke dag een berichtje, maar krijg vaak geen antwoord.

Op een avond belt hij eindelijk terug.

‘Sorry Sofie… Het is allemaal zo veel nu.’

‘Ik begrijp het,’ zeg ik zacht, al doet het pijn.

‘Ik weet niet of Brussel nog doorgaat,’ zegt hij schor.

‘Wat wil jij?’ vraag ik voorzichtig.

Hij zwijgt lang. ‘Ik weet het niet meer.’

De weken verstrijken. Toms vader herstelt langzaam maar Tom lijkt verder weg dan ooit. We spreken elkaar minder, onze gesprekken worden oppervlakkiger.

Op een dag zie ik hem op straat met zijn zus Els en hun moeder. Hij zwaait kort maar loopt snel verder.

’s Avonds zit ik alleen in mijn appartement en staar naar de potten stoofvlees die mama weer heeft meegegeven. De stilte is oorverdovend.

Was dit nu alles? Is dit hoe vriendschap langzaam doodbloedt omdat niemand durft te kiezen?

Soms vraag ik me af: hoeveel moed heb je nodig om echt voor jezelf te kiezen? En wat als je pas beseft wat je voelt als het misschien al te laat is?