Mijn Stiefzus, Mijn Spiegel

‘Waarom ben je hier, Els?’ Mijn stem trilt, terwijl ik de deur nog half op een kier houd. Buiten ruist de regen tegen de kasseien van de Cogels-Osylei, binnen ruist het verleden door mijn hoofd. Els kijkt me aan met die blik die ik zo goed ken: koppig, maar ergens ook verloren.

‘Mag ik binnenkomen, Sofie?’ Haar stem is zachter dan ik me herinner. Ik aarzel. Het is jaren geleden dat we elkaar zagen, sinds die ruzie op mama’s begrafenis. Maar haar natte jas en trillende handen doen iets met mij. Ik knik en laat haar binnen.

Ze stapt mijn appartement binnen, kijkt rond alsof ze zich afvraagt of ze hier thuishoort. ‘Je hebt het mooi ingericht,’ zegt ze, haar ogen glijden over de boekenplanken en de foto’s van mij en papa in de Ardennen.

‘Wat wil je, Els?’ Ik probeer afstand te houden, maar mijn hart bonkt in mijn keel. Ze schuift haar natte haar achter haar oren en zucht diep.

‘Ik… Ik heb niemand anders meer, Sofie. Papa is weg, mama is dood, en jij…’

‘Ik?’ Mijn stem klinkt scherper dan ik bedoel. ‘Jij hebt mij nooit als zus gezien.’

Ze kijkt naar haar schoenen. ‘Dat was niet eerlijk van mij. Maar ik was kwaad. Op alles. Op jou, op mama, op mezelf.’

Ik voel hoe de oude woede weer opwelt. De herinnering aan die avond, toen mama stierf en Els me de schuld gaf omdat ik niet snel genoeg had gebeld. Hoe ze me uitschold in het ziekenhuis, waar iedereen het kon horen. Hoe ze daarna verdween uit mijn leven.

‘Waarom nu?’ vraag ik. ‘Na al die jaren?’

Ze haalt haar schouders op. ‘Omdat ik besef dat ik fout was. Omdat ik je mis.’

Ik weet niet wat ik moet zeggen. Mijn hoofd draait. Buiten trekt een tram piepend voorbij. Ik denk aan de avonden dat we samen naar Thuis keken, aan de keren dat we stiekem frieten gingen halen bij Frituur Nummer Eén terwijl mama dacht dat we huiswerk maakten.

‘Weet je nog die zomer in Oostende?’ zegt Els plots. ‘Toen we samen in zee zwommen en jij bijna verdronk omdat je te ver ging?’

Ik glimlach ondanks mezelf. ‘En jij hebt me eruit getrokken.’

Ze knikt. ‘We waren toen echt zussen.’

De stilte valt zwaar tussen ons. Ik voel tranen prikken achter mijn ogen, maar ik wil niet breken. Niet nu.

‘Ik heb hulp nodig, Sofie,’ zegt Els zacht. ‘Ik ben mijn job kwijtgeraakt bij Delhaize. Mijn vriend heeft me buitengezet. Ik weet niet waar naartoe.’

Mijn eerste impuls is om haar weg te sturen. Ze heeft me zoveel pijn gedaan. Maar dan zie ik haar trillende lippen, haar gebroken blik.

‘Je kunt vannacht blijven,’ zeg ik uiteindelijk. ‘Maar morgen moet je iets regelen.’

Ze knikt dankbaar en ploft neer op de zetel alsof ze al weken niet geslapen heeft.

Die nacht lig ik wakker in mijn bed, luisterend naar haar zachte gesnik in de woonkamer. Mijn gedachten razen: waarom komt ze altijd naar mij als alles misloopt? Ben ik haar laatste strohalm? Of is dit een kans om eindelijk te praten over alles wat tussen ons in staat?

De volgende ochtend zit Els aan tafel met een kop koffie tussen haar handen geklemd. Ze kijkt op als ik binnenkom.

‘Dank je, Sofie,’ zegt ze schor.

‘Wat ga je doen?’ vraag ik.

Ze haalt haar schouders op. ‘Misschien naar het OCMW? Of naar tante Marleen in Mechelen.’

‘Tante Marleen heeft zelf haar handen vol met haar kinderen,’ zeg ik zacht.

Els knikt en staart uit het raam naar de grijze lucht boven Antwerpen.

‘Weet je nog hoe mama altijd zei dat we elkaar moesten helpen?’ zegt ze plots.

Ik slik. ‘Ja.’

‘Ik heb dat nooit gedaan.’

‘Nee,’ zeg ik eerlijk.

Ze kijkt me aan met betraande ogen. ‘Mag ik het nu proberen goed te maken?’

Ik weet niet of ik haar kan vergeven. Maar ergens diep vanbinnen wil ik het proberen. Voor mama, voor mezelf, voor ons allebei.

Die dag help ik Els met het zoeken naar een kamer via Facebookgroepen en bel ik zelfs een oude vriendin die bij het OCMW werkt. We praten over vroeger, over kleine dingen: wie de beste pannenkoeken bakte (mama), wie altijd vals speelde met Monopoly (ik), wie het hardst kon lachen (Els).

’s Avonds zitten we samen op het balkon met een glas wijn. De stad ruist onder ons door, het leven gaat verder.

‘Denk je dat we ooit echt zussen kunnen zijn?’ vraagt Els zacht.

Ik kijk naar haar profiel in het schemerlicht en voel iets verschuiven in mij.

‘Misschien wel,’ fluister ik. ‘Als we het allebei willen.’

En terwijl de eerste sterren boven Antwerpen verschijnen, vraag ik me af: hoeveel tweede kansen kan een mens geven? En wanneer kies je voor jezelf?